Categorie archief: Psyche

Leven zonder diagnose

Sinds gisteren heb ik een officiële “geen idee”-status wat betreft psychiatrische diagnoses. Ik had altijd de diagnose autisme. Daarbij kwamen nog wel wat andere stickertjes die al dan niet klopten. Stoornis in de impulsbeheersing NAO, dissociatieve identiteitsstoornsi, PTSS, borderline, … Wat echter bleef staan, was de diagnose autisme.

Nu weet ik sindds iets van anderhalve maand dat mijn psycholoog die eraf wilde halen omdat ik een hersenbloeding met waterhoofd tot gevolg heb gehad als baby en je volgens haar dan geen autisme mag vaststellen. Toen ik inderdaad bevestigd kreeg dat ze mijn DSM-classificatie had aangepast in alleen borderline, besloot ik de patiëntenvertrouwenspersoon in te schakelen. Die adviseerde me een second opinion aan te vragen. Was mijn psych niet blij mee en die begon een beetje te onderhandelen met diagnoses. Ze consulteerde de psychiater van de hersenletselafdeling, die haar gelijk gaf dat autisme en hersenletsel niet samengaan. Gelukkig hoef ik in dat geval ook niet opgescheept te zitten met een borderlinediagnose, want dat kon ook niet samen met hersenletsel volgens diegene. Resultaat is wel dat, tenzij of totdat ik een second opinion heb gehad, ik nu opgescheept zit met een diagnose waar ik de ballen van snap.

Dit heeft toch meer impact dan ik zou denken. In eerste instantie dacht ik dat ik het wel best zou vinden als ik maar de goede zorg kan krijgen wanneer ik met ontslag ga uit de kliniek. Toch raakt het me op een veel dieper niveau: wie ben ik nog als ik geen autist meer ben?

Nu krijg ik vast een stortvloed aan kritiek over me heen omdat ik mezelf “autist” noem. Ik weet wel dat ik meer ben dan autistisch alleen. In Amerika is het echter gebruikelijk dat autisten zichzelf “autist” noemen om aan te geven dat autisme een significant deel uitmaakt van hun identiteit. Daar wordt in Nederland raar tegenaan gekeken, want welke gek identificeert zich nou met een stoornis? Autist-zijn wordt echter niet als ziekte gezien maar als een neurologische staat van zijn. Of ik het daarmee eens ben, is een tweede. Het is wel zo dat ik mezelf begrijp en weet wat voor mij werkt aan de hand van concrete “stickertjes” en autisme was daar negen jaar lang de belangrijkste van.

Natuurlijk, ik ben echtgenote, bediende van de kat, blogger, zeepmaker, etc. Wat ik bedoel is dat ik zonder diagnose geen steun kan vinden bij mensen die mijn ervaringen echt begrijpen. Het gaat er mij niet eens om dat ik uit sommige steungroepen weg moet als ik geen second opinion aanvraag, omdat ik dan “ineens” geen autist meer ben. (Wat dat betreft erger ik me meer aan alle speculaties à la borderliner-die-jarenlang-autisme-heeft-gefaked, maargoed.) Ik ben immers lid van ruim 1500 groepen op Facebook en spaar door de diagnostische onduidelijkheid bijna etiketjes om als zoekterm in te voeren. Waar ik meer van baal, is dat ik altijd nog wel twee of drie mensen kende met mijn combinatie van problemen. Ik ben ook nog blind, dus dat maakt het lastig maar in elk geval waren er wel mensen die ook blind en autistisch zijn. Nu voel ik me niet meer volledig thuis in het “hokje” autisme, ook al willen sommige groepen me nog wel hebben. Tegelijk pas ik ook niet in het “hokje” hersenletsel, omdat dat bijna per definitie niet-aangeboren is. Nu wordt het wel erg lastig (h)erkenning vinden.

Ik heb nog niet besloten of ik die second opinion aanga. Of dat meer duidelijkheid zal geven, is namelijk de vraag en dat is toch waar ik, naast goede zorg, naar op zoek ben.

Herstel in de GGZ

Afgelopen maandag kwam de ergotherapeut van de psychiatrische instelling waar ik verblijf bij me langs. We zijn ooit, een paar maanden geleden, begonnen met ergotherapie zodat ik kon leren bijvoorbeeld mijn eigen brood te smeren, drinken inschenken, etc. Dit is deels gelukt maar het blijft voor mij erg moeilijk. Sinds een paar weken hebben we de puur praktische training losgelaten en zijn we gaan kijken wat ik nodig heb om me als ik straks thuis ben redelijk te kunnen redden en hoe ik dit communiceer. Maandag kwam de ergotherapeut in dit kader met een folder over herstel in de GGZ. Ik heb hier al ervaring mee gehad, want in 2010 heb ik deelgenomen aan de eerste herstelgrep in Nijmegen. Vandaag wil ik met jullie delen wat herstel is en hoe als je het mij vraagt elke psychiatrische patiënt hieraan kan werken.

Ik zit al bijna negen jaar klinisch opgenomen in de psychiatrie. Ik heb in die tijd al wel het één en ander bereikt maar ben absoluut niet “genezen” van mijn psychische kwetsbaarheid. In mijn geval is dit waarschijnlijk ook niet mogelijk. Ik wil hiermee niet zeggen dat dit voor iedereen geldt: van sommige psychische stoornissen kun je prima genezen. Volgens Arnhild Lauveng, in haar boek Morgen ben ik een leeuw heeft zelfs één op de drie mensen met schizofrenie uiteindeijk geen last meer van deze ziekte. Dit terwijl schizofrenie toch als één van de meest ernstige psychiatrische ziektes wordt gezien. Bij bijvoorbeeld een éénmalige depressie is het genezingspercentage hoger.

Bij herstel gaat het echter niet om genezing maar om het (her)vinden van een zinvol leven. Zelfs als je elke dag last hebt van je psychische kwetsbaarheid, kun je een zinvol leven hebben. Ooit heb ik een scriptie gelezen over vraaggerichte zorg voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking. Nou is een psychiatrische zietke iets anders maar ook daar geldt dat je altijd wel iets van je leven kunt maken, al is het dag bij dag. Het gaat erom dat je je bewust bent van je kwetsbaarheden en talenten en hiervan gebruik maakt bij het bereiken van je eigen persoonlijke doelen.

Op één van de websites over herstelondersteuning las ik net dat men in een bepaald, zogenaamd herstelgericht gebouw van een GGZ-instelling helemaal geen gebruik maakt van de facilitaire diensten van de instelling. Dit betekent dus dat men zelf schoonmaakt en de boel onderhoudt. Prima hoor maar ik ergerde me eraan dat dit als herstel wordt gezien. Je hoeft niet onafhankelijk van hulp te zijn om hersteld te zijn. Bij herstel gaat het erom dat je je eigen doelen in het leven bepaalt. Iedereen is immers voor bepaalde zaken afhankelijk van anderen. Ik ken weinig mensen die bijvoorbeeld altijd hun eigen haar knippen of kleding maken, laat staan hun eigen vee slachten voor het avondeten.

Ik zei al dat ik in 2010 meedeed aan een herstelgroep in Nijmegen. Een herstelgroep is een praatgroep waarbij cliënten, onder supervisie van twee ervaringsdeskundige medecliënten, hun herstelverhaal delen aan de hand van verschillende thema’s. De herstelgroep waar ik aan deelnam, bestond uitgezonderd de ervaringsdeskundigen, alleen uit klinisch opgenomen patiënten. Ik stond in die tijd op de wachtlijst voor een woon-werkvoorziening voor autisten. Dit is een intensieve vorm van beschermd wonen bij een GGZ-instelling. Bepaald niet het toppunt van zelfstandigheid maar ik wilde dit graag. Was ik dan niet bezig met herstel, omdat ik veel begeleiding nodig had? Ik vind toch van wel.

Vijf dingen die je niet moet zeggen tegen iemand met een eetstoornis

Op The Mighty, een Engelstalige site waar mensen met een handicap of ziekte en hun familie schrijven, worden regelmatig lijstjes gepost van dingen die je niet of juist wel moet zeggen of doen om mensen met een handicap of ziekte te helpen. Er verscheen rond Thanksgiving in november een artikel met dingen die je niet moet zeggen tegen iemand met een eetstoornis. Zelf heb ik geen gediagnosticeerde eetstoornis maar wel een flink eetprobleem. Helaas hoor ik deze opmeringen maar al te vaak.

1. “Je ziet er goed uit.” Hiermee benadruk je iemands uiterlijk. Je bedoelt misschien dat iemand een gezonde blos op haar gezicht heeft maar onbewust kan zij hierbij denken aan haar gewicht. Als degene met een eetstoornis al niet de connectie met haar figuur of gewicht maakt, zal ze waarschijnlijk terecht opmerken dat je bedoelt dat ze eruitziet alsof ze zich goed voelt. Dat kun jij echter niet weten.

2. “Ben je aangekomen sinds we elkaar de laatste keer zagen?” Laat die opmerkingen over gewicht nou eens achterwege! Bij iemand met anorexia vindt jij het misschien een compliment als ze is aangekomen maar zij denkt daar mogelijk nog heel anders over. Mensen met boulimia of een eetbuienstoornis kunnen ook heel erg getriggerd worden door opmerkingen over hun gewicht. Ikzelf zit het dichtst bij de eetbuienstoornis qua wat mijn eetprobleem is en vind opmerkingen over gewicht alleen maar stresserend. Je laat met een opmerking als deze onbewust blijken dat iemand alleen maar goed is als ze een bepaald gewicht of een bepaalde maat heeft.

3. “Is dat alles wat je eet?” In deze categorie vallen ook opmerkingen als “Eet maar lekker, dat kan jij wel hebben,” of “Eet je zoveel?”. Kortom, alle opmerkingen die een oordeel vellen over hoeveel iemand eet. Voor een persoon met anorexia is het misschien een enorme strijd geweest om het kleine beetje wat ze eet te nemen. Iemand met boulimia of een eetbuienstoornis gaat ook niet minder eten als jij haar eetgedrag veroordeelt. Hoogstens voelt ze zich schuldiger of gaat ze compenseren.

4. “Ik wou dat ik jouw wilskracht had!” Nee, dat wil je niet. Je wilt echt serieus geen last hebben van de allesbepalende obsessie van een eetstoornis. Ik heb zelf nooit anorexia of iets wat erop lijkt gehad en moet eerlijk toegeven dat ik soms wel eens dacht: “Ik wou dat ik dat kon.” Andere eetstoornissen worden toch meer gezien als “gebrek aan wilskracht”. Als je dus een goedbedoelde opmerking over wilskracht maakt tegen iemand die gezond is afgevallen, kan dat ook weer heel triggerend zijn als een ander boulimia of een eetbuienstoornis heeft. Niemand kiest ervoor om een eetstoornis te hebben.

5. “Ik ben net aan dit-of-dat nieuwe dieet begonnen.” Kies alsjeblieft een gesprekspartner die niet getriggerd wordt om destructief (eet)gedrag te vertonen als je dit zegt. Mij en veel anderen met zware eetproblemen of een eetstoornis triggert het enorm als je over diëten praat. Het zet mensen met “gewoon” overgewicht misschien aan om oook te gaan lijnen, al is dat nog niet zeker. Mensen met een eetstoornis voelen zich alleen maar ongemakkelijk.

Hoe ik een problematische relatie met eten kreeg

Vorige week schreef Yvette een post over haar relatie met voeding. Hierin beschreef ze hoe ze bewust omgaat met eten. Ik was dinsdag al begonnen aan een stuk over mijn eigen relatie tot eten, die een stuk minder gezond is. Ik twijfelde toen echter nog of ik dit met naam en toenaam op mijn blog zou zetten. Toen ik er echter achterkwam dat mijn zeer persoonlijke, Engesltalige blog bijna bovenaan in Google staat als je mijn naam intypt, besloot ik er schijt aan te hebben. Dat ik een moeilijke relatie met eten heb, mag iedereen weten.

ik was als kind niet eens een extreem moeilijke eter. Mijn man klaagt nu wel eens dat ik wel heel weinig lust maar ik kan me niet herinneren dat ik veel minder lustte dan mijn zus. Mijn ouders waren heel makkelijk met eten en zetten er weinig druk op dat we iets moesten eten wat we niet lustten. Ze maakten ook best vaak apart eten voor één van ons, nou ja een deel van het eten dan. Zo kreeg ik rauwe zuurkool als we zuurkoolstamppot aten, want dat lustte ik wel.

Ik was ook als kind niet iemand die exxtreem veel snoepte. Ik herinner me wel dat ik vrij veel snoep pikte van mijn ouders en dat ook wel meer deed dan mijn zus. Ik had echter toen nog niet echt eetbuien of ander overduidelijk eetgestoord gedrag. Toen ik tien werd, kreeg ik bijvoorbeeld een kleine hoeveelheid dropjes voor mijn verjaardag – en ik bedoel echt tien dropjes of zo. Daar heb ik echt dagen mee gedaan. Of dat een uitzondering was, weet ik echter niet, want ik was wel al vroeg iemand die veel snoep wilde hebben.

Toen ik naar de middelbare school ging, vooral op het gymnasium, liep het wel de spuigaten uit met snoepen. Dit is eigenlijk in vrij korte tijd vrij snel gegaan. Toen ik nog in de brugklas van het speciaal onderwijs zat, at ik keurig mijn brood op en kocht ook niet meer dan één candybar per dag en dat lang niet elke dag. In de eerste van het gymnasium herinner ik me dat ik een keer vijf Marsrepen uit de automaat trok en ze achter elkaar opat. Mijn klasgenoten zeiden er wat van maar ik luisterde niet. Dit was waarschijnlijk de eerste keer of de enige keer dat mijn klasgenoten er wat van zeiden, dat ik het daarom onthouden heb. Het was zeker niet de laatste keer.

Ergens besefte ik wel dat het niet normaal was. Ik heb in die tijd kort een eetdagboekje bijgehouden en noteerde daarin keurig alle candybars, saucijzenbroodjes en chips die ik naar binnen werkte. Ik voelde me ook schuldig maar deed er niks mee. Op een gegeven moment las ik in een jongerentijdschrijft over de BMI en ik berekende de mijne. Die was toen voor een jongere volgens mij al op het randje van overgewicht maar dat realiseerde ik me niet, omdat het tijdschrift de norm voor volwassenen nam.

Ik las in datzelfde tijdschrijft in ongeveer dezelfde tijd over anorexia en meiden die hiervoor opgenomen werden. Ik weet niet waarom maar het trok me enorm. Heel stom natuurlijk, want niemand wil echt een eetstoornis. Het was ook niet dat ik dun wilde zijn maar meer dat ik iets wilde hebben waarin ik mijn gevoel kon uiten. Misschien zelfs wel iets waarmee ik kon laten zien dat het niet goed ging.

Als eetgestoorde faalde ik gigantisch. Ik kon niet eens lijnen, laat staan dat ik voor anorexiapatiënt door kon gaan. Gelukkig hield ik ongezond compenseergedrag zoals braken ook niet lang vol. Ik at echter wel grote hoeveelheden snoep. Als ik op zaterdag naar de winkel ging, kocht ik twee grote zakken snoep en at die in een uur tijd allebei leeg. Dat dit net zo goed een eetprobleem is, kwam niet in me op. Op school leerden we ook alleen over anorexia en boulimia. Godzijdank was mijn gedachte dat ik een eetstoornis “wilde” alweer over toen ik internettoegang kreeg, anders was ik ongetwijfeld veel verder van huis geweest door de pro-anasites.

Toen ik volwassen werd, werden de echte eetbuien vanzelf minder. Ik overat nog wel maar niet meer in extreme mate. Toch bleven de dwangmatige gedachten over eten wel een rol spelen. Uiteindelijk liep dit rond mijn 23ste toch weer uit de hand en werd het overeten erger. Sindsdien ben ik nooit meer langer dan een week eetbuivrij geweest. In die tijd heb ik ook ongeveer een halfjaar meerdere keren per week gebraakt. Hier stopte ik echter uiteindelijk weer mee, om het zo nu en dan weer op te pakken. Helemaal vrij van ongezond compenseergedrag ben ik nooit meer voor een lange tijd geweest.

Toch zijn nu voor mij de eetbuien schadelijker: ik zit inmiddels qua gewicht behoorlijk ver in het gebied “obesitas”. Helaas leren we nog steeds dat overeten gewoon onwil om maat te hoduen is, i.p.v. een serieus psychisch probleem. Ik heb nog steeds het idiote idee dat ik een falende eetgestoorde ben, terwijl ik me juist zou moeten focussen op mijn herstel.

Studeren met een psychische ziekte

Gisteren vertelden een paar mensen in een Facebookgroep voor bloggers dat ze aan het “blokken” waren. Ik dacht eerst dat het een typefout was en ze “bloggen” bedoelden. Dat bleek niet het geval. De bloggers waren toevallig ook student en blokten voor hun tentamens. Het is bij mij alweer zo’n 8 1/2 jaar geleden dat ik een tentamen had. Ik weet het og precies, want het was drie dagen voor mijn opname in de psychiatrie. Vandaag wil ik vertellen welke invloed een psychische ziekte kan hebben op je studie.

Ik was op de basisschool en middelbare school altijd een goede leerling. Als ik mijn best deed tenminste. Op de middelbare school was ik regelmatig vrij somber en deed dan minder aan school. In de derde klas heb ik zelfs een halfjaar bijna niks uitgevoerd, waardoor ik maar met de hakken over de sloto over ging. Nou wil ik niet alles aan mijn psychische ziekte wijten en speelde puberale luiheid vast ook gewoon een rol. Toch was het voor mij door mijn sombere stemming extra moeilijk om me tot studeren te zetten.

Het omgekeerde kan ook voorkomen: dat je je door je psychische stoornis juist te veel op je studie stort. Je op je studie richten als afleiding van je sombere of angstige gedachtes is natuurlijk niet erg, zeker niet als het werkt. Sommige mensen richten zich echter zo extreem op hun studie, dat ze erdoor overbelast raken. Op de universiteit heb ik voor het tentamen wat ik net noemde, nog een 8,5 gehaald.

Het kan ook zijn dat je door perfectionisme nooit tevreden bent met je studieresultaat. Een beetje perfectionisme kan motiverend werken. Als je perfectionisme echter je zelfbeeld gaat bepalen, kan dit tot behoorlijke angsten leiden.

Ik was zelf iemand die wel goed was in het onthouden van wat er in het studieboek stond. Naast puur theoretische tentamens heb je echter ook te maken met praktische opdrachten. Op de middelbare school was dat in de bovenbouw het ergst. Ik vrees dat dit met de onderwijsvernieuwingen alleen maar erger is geworden maar ook in mijn tijd moest je al veel zelf uitvogelen. Dat vond ik moeilijk. Ook op het hbo was ik niet goed in praktisch gerichte opdrachten, al ging het wat beter dan op de middelbare school. Op de middelbare school liep ik er namelijk vooral tegenaan dat ik niet wist hoe ik mensen moest aanspreken om mee samen te wereken. Ik heb dus een keer een één gekregen voor een spreekvaardigheidsopdracht die ik niet had gedaan, omdat ik niemand durfde te vragen om met mij deze opdracht te doen.

Naast de onderwijsmoeilijkheden waar mensen met psychische problemen tegenaan kunnen lopen, speelt er nog het feit dat scholen zelf intens overweldigend kunnen zijn. Ik zat zelf op de middelbare school met dertig kinderen in de klas. Toen ik eenmaal op de universiteit kwam, had ik een studie gekozen waar relatief weinig studenten zich voor inschreven. Ik dacht dat ik dus in kleine groepen college zou hebben. Groot was dan ook mijn schrik toen ik op de eerste dag in een collegezaal met 200 man belandde. Wist ik veel dat sommige colleges van mijn studie waren samengevoegd met die van een veel grotere opleiding.

Je kunt als je psychische problemen hebt en toch wilt studeren, verschillende aanpassingen vragen bij je hogeschool of universiteit. Zo mocht ik mijn tentamen (dat ene tentamen van drie dagen voor mijn opname) in een aparte ruimte afleggen. Daarnaast bieden veel hogescholen en universiteiten cursussen aan voor het omgaan met (lichte) psychische klachten. Ik had zelf ook een maatje via een project wat toen net op mijn universiteit was opgezet. Zij ondersteunde mij bij het contact met docenten, het plannen van mijn studie, etc.

Voor veel mensen is student zijn natuurlijk meer dan studeren. Ook dit kan problemen geven voor mensen met psychische problemen. Zo kun je bang zijn in de kroeg, moeite hebben met vrienden maken of te moe zijn om na je studie nog naar de studentenvereniging te gaan. Dat niet volwaardig mee kunnen draaien kan dan weer je psychische klachten verergeren. Zelf heb ik hier nooit zoveel last van gehad. Pas toen ik al jaren gestopt was met mijn studie, baalde ik er wel heel erg van dat ik die tijd gemist had.

Nu ben ik op zich heel blij dat ik niet meer studeer. Ik heb nog wel een paar cursusen op de Open Universiteit gedaan. De OU is in mijn ervaring een stuk toegankelijker voor mij als student met beperkingen dan de gewone universiteit of hogeschool. Ten eerste kan het voor veel psychisch zieke mensen een voordeel zijn dat je de studie grotendeels thuis kunt doen. Daaarnaast heb je niet de druk van een bindend studieadvies of een strict tempo. Je kunt namelijk een jaar over een cursus doen. Wel moet je juist daarom meer discipline hebben dan op de gewone universiteit. Daar ontbrak het bij mij nogal eens aan, waardoor ik ook hier de meeste vakken niet heb gehaald.

Acht fabels over de eetbuienstoornis

Sinds 2013 is de binge eating disorder (BED) of eetbuienstoornis eindelijk officieel erkend als een specifieke eetstoornis in het psychiatershandboek, DSM-5. DSM-5 wordt in Nederland nog niet overal gebruikt in de gezondheidszorg maar de eetbuienstoornis wordt over het algemeen wel erkend. Ik heb niet deze diagnose maar herken me er wel in. “Wie niet?” zou je zeggen maar dat is niet waar. Hieronder deel ik een aantal fabels en feiten over de eetbuienstoornis.

1. De eetbuienstoornis bestaat niet, want iedereen eet wel eens een hele zak chips of bak ijs leeg in één keer. Dat bijna iedereen wel eens veel te veel eet, is een feit. Het is echter een fabel dat een eetbuienstoornis simpelweg betekent dat je af en toe te veel eet. Een eetbui moet minstens één keer per week voorkomen gedurende een periode van drie maanden of langer om van een eetbuienstoornis te spreken. Iemand die met Sinterklaas een zak pepernoten naar binenn werkt, heeft niet per definitie een eetbuienstoornis.

Gewoon snaaien is geen eetbui. Dit onderscheid vind ik zelf nog wel eens moeilijk te maken. In de DSM-5 staat genoemd dat iemand met BED gedurende een bepaald tijdsbestek, bv. twee uur, veel meer eet dan normaal is of wordt verwacht. Als je dus je bij het kerstdiner helemaal volpropt, kan dit twee uur duren en je te veel hebben gegeten maar omdat dit verwacht wordt, is dit geen eetbui. Ikzelf eet wel eens (nou ja, vaker dan eens per week) in tien minuten tijd een zak snoep leeg. Dat je over de dag heen een zak snoep leegeet, is snaaien. Omdat ik het in tien minuten opeet, denk ik wel dat ik van een eetbui mag spreken.

2. Mensen die eetbuien hebben, zijn per definitie te zwaar. Hoewel ongeveer tweederde van de mensen met een eetbuienstoornis zwaarlijvig is, komt BED ook voor bij mensen met een gezond gewicht. Sommige mensen kunnen immers meer eten zonder (veel) aan te komen dan anderen. Ikzelf heb pas sinds een jaar of vier overgewicht maar heb al sinds mijn puberteit eetbuien.

3. BED is hetzelfde als boulimia. Oppervlakkig gezien lijken de stoornissen erg op elkaar. Mensen met boulimia en mensen met een eetbuienstoornis overeten immers allebei en voelen zich hier schuldig of beschaamd over. Het verschil is echter dat boulimiapatiënten proberen van de overtollige calorieën af te komen door te purgeren (braken, laxeren of gebruik van plaspillen) of door overmatig te sporten. Mensen met BED doen dit niet en velen bewegen te weinig.

4. De eetbuienstoornis is zeldzaam. Mis! De eetbuienstoornis is de meest voorkomende specifieke eetstoornis. Het komt bij ongeveer 3% van de bevolking voor. Anorexia en boulimia komen bij respectievelijk 0,5% en 1,5% voor.

5. De eetbuienstoornis is een vrouwenziekte. Hoewel anorexia en boulimia veel meer bij vrouwen dan bij mannen voorkomen (maar niet exclusief bij vrouwen!), komt de eetbuienstoornis bijna net zoveel bij mannen voor als bij vrouwen.

6. Eetbuien zijn typisch iets voor tieners. Anorexia en boulimia komen inderdaad vaker voor bij tieners en jongvolwassenen. Voor BED geldt dit niet. Hoewel de stoornis uiteraard wel bij tieners voor kan komen, is de gemiddelde leeftijd waarop de eetbuienstoornis begint 25. Zeker bij mannen komt de stoornis vaker op middelbare leeftijd voor.

7. Binge eating disorder, in tegenstelling tot anorexia en boulimia, is niet gevaarlijk. Anorexia en boulimia kunnen misschien op korte termijn gevaarlijker zijn, omdat purgeren en ernstig ondergewicht tot levensbedreigende gezondheidsproblemen kunnen leiden. Daartegenover staat dat eetbuien op langere termijn wel gevaarlijk kunnen zijn. Grote eetbuien bij BED kunnen net als bij boulimia bijvoorbeeld leiden tot een opgerekte maag. Daarnaast speelt natuurlijk het risico wat gepaard gaat met overgewicht of obesitas.

Het idee dat de eetbuienstoornis niet gevaarlijk is, leidt ertoe dat mensen, ook patiënten, dit probleem niet serieus nemen. Ikzelf heb een tijd aan ongezond compenseergedrag (purgeren) gedaan en nam toen mijn eetprobleem serieuzer dan nu dat ik alleen nog eetbuien heb, terwijl ik nu ernstig overgewicht heb en toen een gezond gewicht had.

8. Eetbuien bij BED zijn gewoon een uiting van stress. Dat “gewoon” mag eraf. Eetbuien zijn inderdaad een uiting van stress maar iemand die minstens eens per week een eetbui heeft, heeft meer stress dan de gemiddelde mens en/of gaat hier niet gezond mee om. Een eetbuienstoornis is, zoals inmiddels wel duidelijk mag zijn, een psychiatrische stoornis en niet zomaar een reactie op tijdelijke stress.