Categorie archief: Psyche

Mythes over emoties

Sinds ongeveer anderhalve maand volg ik dialectische gedragstherapie. Dit is een training om met trekken van borderline, zoals heftige en snel wisselende emoties, om te gaan. Veel mensen – niet alleen mensen met borderline trouwens – hebben het idee dat negatieve emoties er niet mogen zijn. Ze stoppen ze daarom weg of proberen ze op te lossen door middel van destructief gedrag.

De training begint met enkele hoofdstukken mindfulness, waarbij je leert in je “wijze geest” te komen. Die vond ik vrij moeilijk. Vooral over hoofdstuk 2, waarin je de vaardigheden leert om je emoties en verstand te integreren, deed ik lang.

Vervolgens komen er hoofdstukken over emotieregulatie. Ik ben nu net bezig aan het eerste hoofdstuk over deze vaardigheid. In dit hoofdstuk leer je over mythes die je kunt hebben over emoties. Een mythe is een hardnekkige overtuiging die misschien in het verleden betekenis heeeft gehad maar die niet klopt. Vandaag bespreek ik de mythes over emoties die worden genoemd.

1. Er is een JUISTE manier van voelen in ELKE situatie. Dit vond ik een lastige, omdat je bij emotieregulatievaardigheden ook leert om “tegengedrag” te vertonen, oftewel precies het omgekeerde te doen van wat de emotie je ingeeft. Als er dan geen juiste manier van voelen is, is er duidelijk wel een verkeerde manier van voelen. Het is echter niet zo dat je emoties moet ontkennen door tegengedrag. Dat je bijvoorbeeld moet gaan lachen als je verdrietig bent. Eerder moet je het omgekeerde doen van wat je door de emotie geneigd bent te doen, zoals bijvoorbeeld als je door verdriet jezelf wilt terugtrekken, juist actief mensen opzoeken.

2. Anderen laten weten dat ik mij slecht voel, is zwak. Dit vond ik ook een lastige, want ik ben vaak wel geneigd op de één of andere manier te laten merken dat ik me slecht voel. oet ik dan dus, onder het mom van tegengedrag, het niet laten merken? Er zjn echter verschillende manieren van het laten merken dat je je slecht voelt, dus daar zit waarschijnlijk de krux.

3. Negatieve gevoelens zijn slecht en destructief. Deze vond ik vrij makkelijk. Het is niet het gevoel maar wat je ermee doet, wat destructief kan zijn.

4. Emotioneel zijn betekent de controle verliezen. Dit dacht ik eerst ook maar de psycholoog die mijn second opinion over mijn autisme deed, zei dat je niet overspoeld kan worden door emoties. Het is eerder je reactie hierop, dus je gedachte dat deze emotie slecht is, die je kan overspoelen.

5. Sommige emoties zijn maar stom. Alle emoties zijn waardevol. Ze kunnen je informatie geven en motiveren maar het is wat je hiermee doet, wat het verschil maakt.

6. Emoties kunnen zomaar, zonder reden, opkomen. Meestal weet ik inderdaad niet waarom ik me slecht voel. Als ik er dan meer bij stil sta, is er wel een reden voor, ook al is dit bijvoorbeeld dat ik het koud heb.

7. Alle pijnlijke emoties zijn het gevolg van slecht gedrag. Dit vond ik een rare, want waarom zou een emotie het gevolg zijn van gedrag? Dit is natuurlijk deels wel zo, in de zin dat emoties niet zomaar opkomen. Maar pijnlijke emoties zijn niet goed of slecht, dus hun aanleiding is ook niet goed of slecht.

8. Als anderen mijn gevoelens niet goedkeuren, moet ik me waarschijnlijk zo niet voelen. Wat anderen van mijn emoties vinden, is hun zaak. Emoties zijn niet goed of slecht ongeacht wat een ander (of jij zelf) ervan vindt. Het is gedrag wat effectief of minder effectief is.

9. Pijnlijke emoties zijn eigenlijk niet belangrijk en moeten genegeerd worden. Net als bij de eerste mythe vond ik deze lastig. Er staat in de inleiding bij emotieregulatievaardigheden in mijn boek dat je negatieve gevoelens niet hoeft te ontkennen maar ook niet hoeft te omarmen. Betekent dat dan niet dat je ze negeert? Ik heb deze nog niet besproken in de training, dus weet het antwoord eigenlijk nog niet.

Welke mythes over emoties herken jij?

Dialectische gedragstherapie (DGT)

Vanmiddag had ik mijn eerste afspraak voor de training dialectische gedragstherapie (DGT) bij GGnet, de psychiatrische instelling in mijn regio. Ik had natuurlijk de afgelopen week al het werkboek gekregen en hier alvast het eerste hoofdstuk in gelezen. Sowieso was ik al wel bekend met DGT en zat al heel lang in een aantal zelfhulpgroepen op Facebook die deze methode hanteren. Vandaag leg ik uit wat DGT is en hoe het mij tot nu toe bevalt.

Wat is DGT?

DGT is één van de meest effectieve behandelmethoden voor mensen met de borderline-persoonlijkheidsstoornis, oftewel emotieregulatiestoornis. Deze stoornis wordt gekenmerkt door instabiliteit in emoties, relaties en zelfbeeld. Mensen met borderline hebben vaak sterk wisselende stemmingen, vertonen suïcidaal of zelfbeschadigend gedrag en hebben vaak een turbulent liefdesleven. Uiteraard hoef je niet alle kenmerken te hebben om met borderline gediagnositceerd te worden. Zelf heb ik bijvoorbeeld een stabiele relatie. DGT is trouwens ook effectief bij allerlei soorten destructief gedrag, zoals suïcidaliteit, eetbuien, middelenmisbruik, etc., ook als er geen sprake is van een (volledige) borderlinestoornis.

DGT combineert gedragstherapie met ideeën vanuit de zen-leer, zoals acceptatie en mindfulness. De methode is ontwikkeld door Marsha M. Linehan. Linehan is professor in de psychologie in Seattle en heeft vooral onderzoek gedaan naar de borderline-persoonlijkheidsstoornis, suïcidaal gedrag en drugsmisbruik. Naast professionele betrokkenheid heeft Linehan zelf ervaring met een psychiatrische opname voor wat men toen als schizofrenie bestempelde. Ze vindt zelf dat ze eerder borderline had.

Tijdens de dialectische gedragstherapie wordt aan vier verschillende soorten vaardigheden gewerkt. Deze zijn:

  • Mindfulness, in mijn Nederlandstalige werkboek omschreven als kern-oplettendheidsvaardigheden. Je leert om de aandacht naar binnen te richten en jezelf zonder oordeel te observeren en te leren kennen.
  • Emotieregulatie. Het leren herkennen, benoemen en beheersen van emoties.
  • Interpersoonlijke effectiviteit, oftewel intermenselijke vaardigheden. Hierbij leer je bijvoorbeeld om om te gaan met conflictsituaties.
  • Distress tolerance, in mijn werkboek vertaald als vaardigheden voor het verdragen van crisis (in plaats van je afreageren d.m.v. destructief gedrag).

Hoe bevalt het?

Normaal gesproken is DGT een vorm van groepstherapie. Vanwege mijn blindheid en autisme werd echter besloten mij de training individueel aan te bieden. Ik doe hem dus samen met mijn sociaal psychiatrisch verpleegkundige (SPV). Vandaag had ik dus mijn eerste afspraak in het kader van deze behandeling.

De eerste vaardigheid waar je bij DGT aan werkt, is mindfulness. In het eerste hoofdstuk wordt uitleg gegeven over de rationele, de emotionele en de wijze geest. Ik moest voorbeelden bedenken van wanneer ik vanuit puur mijn verstand (ratio) reageer, wanneer vanuit mijn emotie en wanneer beide in balans zijn (wijze geest). Een interessant punt wat genoemd werd, was dat je soms direct na een crisis wel in staat bent vanuit je wijze geest te reageren. Ik herkende dit van mijn crisis vorige maand. Na mijn lichamelijk herstel werd ik gezien door een voor mij onbekende psychiater. Hij vroeg of ik wel zelfstandig wilde blijven wonen. “Ja,” zei ik. Ik wist op de één of andere manier zowel gevoelsmatig als verstandelijk dat ik niet opgenomen wilde worden. De wijze geest wordt ook wel gezien als een soort intuïtie. Ik begrijp dit nog niet helemaal maar vond dit wel heel interessant.

Na het gesprek vanmiddag vroeg mijn SPV of het me zo bevalt en of de methode (voor zover ik nu kan beoordelen) aansluit. Ik denk van wel. Natuurlijk zitten aan elke therapiemethode voor- en nadelen. Zo heb ik wel eens gelezen dat mensen in een op DGT gebaseerde klinische behandeling geen contact mochten zoeken met de verpleging als ze die dag destructief bezig waren geweest. De redenatie erachter is dat het destructieve gedrag dan al de oplossing is voor je crisis en je dus geen andere oplossing (zoals contact met een verpleegkundige) meer nodig hebt. Dit vind ik enigszins vreemd. Wat ik wel goed vind, is dat bij diezelfde behandelunit in elk geval er geen zo-nodigmedicaite werd voorgeschreven. Ikzelf heb nog niet de stap gezet naar helemaal geen noodmedicatie maar heb al voor mezelf besloten dat twee van mijn drie psychische noodmedicijnen eraf mogen.

Herstellen na een psychische crisis

Afgelopen dinsdag was ik in een flinke psychische crisis. De details zal ik jullie besparen maar het was even goed mis. Gelukkig hoefde ik echter niet in de GGZ opgenomen te worden en kon dus vrij snel de draad van mijn leven weer oppakken. Dit blijkt lastiger dan ik had gedacht. Vandaag deel ik mijn ideeën en tips voor herstel na een psychische crisis.

Een psychische crisis komt niet uit de lucht vallen. Ook al was de acute nood zoals bij mij meer een paniekreactie dan zorgvuldig gepland, dan nog zijn er signalen die eraan vooraf gaan. Ik merkte bijvoorbeeld al een paar weken dat ik meer moeite had als mijn man laat thuis was van zijn werk. De aanleiding voor mijn crisis was dan wel iets heel specifieks, maar de oorzaak lag dieper.

Veiligheid

Het allereerste wat belangrijk is na een crisis, is dat je zorgt dat het niet snel nog eens fout gaat. Als je bijvoorbeeld suïcidaal of ernstig zelfdestructief gedrag vertoonde, zorg dan dat iemand anders je medicatie en scherpe voorwerpen in beheer neemt. Natuurlijk moet je uiteindelijk weer zelf deze verantwoordelijkheid aankunnen maar in eerste instantie is het voor ieders gemoedsrust beter als iemand anders ervoor zorgt dat je jezelf niks aan kan doen.

Ritme

Daarnaast is het belangrijk zo snel mogelijk weer een normaal ritme op te pakken. Vroeger werd gedacht dat mensen na een psychische crisis het vooral rustig aan moesten doen. Dit blijkt niet te werken. Ik ben dus, zodra ik lichamelijk enigszins hersteld was, weer naar dagbesteding gegaan. Ook probeer ik de draad van het sporten en gezond eten weer op te pakken, ook al voelt dit soms als nutteloos.

Het is belangrijk niet te blijven hangen in negativiteit. Dit is moeilijk, want je zult na een crisis weer terug moeten naar het leven waar je juist van weg wilde vluchten. Ikzelf realiseerde me gelukkig vrij snel dat ik niet opgenomen wilde worden en dus terug naar huis wilde. Dat dit betekende dat ik weer hele middagen en een deel van de avond alleen zou moeten zijn, besefte ik wel.

Hulp inschakelen

Wel kon ik wat meer hulp inschakelen. Ik ben in behandeling bij een FACT-team. Dit is een team wat mensen met langdurige, ernstige psychiatrische problemen behandelt. Ik had dinsdag tijdens mijn crisis mijn verpleegkundige proberen te bereiken maar zij was druk. Nu heeft zij mij geadviseerd om de volgende keer naar de verpleegkudnige van dienst te vragen. Ook hebben we afgesproken dat een medewerker van het FACT-team de komende tijd eens per week contact met mij zoekt. Er bestaat ook een telefoon-op-receptregeling, waarbij je buiten kantooruren contact kunt hebben met een verpleegkundige. Meestal wordt dit vanuit een kliniek georganiseerd en krijg je dus iemand aan de lijn die jou niet persoonlijk kent. Voor nu lijkt dit nog niet nodig.

Gelukkig gaat er nu ook eindelijk haast gemaakt worden met het regelen van woonondersteuning. Dit is dan weliswaar niet geschikt voor crisisinterventie maar ze kunnen mij wel helpen met de praktische problemen die mij anders spanning zouden geven.

Al met al is het belangrijk dat je de oorzaak van de crisis aanpakt door bijvoorbeeld meer hulp in te schakelen. Daarnaast is het belangrijk te bedenken wat jou tot nu toe op de been hield. In mijn geval is dit bijvoorbeeld mijn dagbesteding. Dit moet je dan zo snel mogelijk weer oppakken.

Ik schrijf in deze post over een acute crisis met een specifieke aanleiding. Ik was niet depressief. Ook in dit geval kan het echter zo zijn dat de gedachte om jezelf iets aan te doen, nog langer blijft bestaan. Maak deze gedachte bespreekbaar met je behandelaren. Zij kunnen je immers tips geven om je gedachten te veranderen.

Misverstanden over prikkelverwerking

Een paar dagen geleden schreef Mantelmama een interessante post over slaapproblemen door overprikkeling. Zij gaat er in haar post vanuit dat veel mensen (ouders) een redelijke algemene kennis hebben over prikkelverwerking en overprikkeling. Ik hoop dat ouders van kinderen met prikkelverwerkingsstoornissen hier inmiddels aardig wat kennis over hebben. Zelf kom ik echter nog veel misverstanden tegen. Vandaag deel ik er een aantal.

1. Prikkelverwerkingsstoornissen zijn een kinderziekte. Omdat er tegenwoordig steeds meer kinderen gediagnosticeerd worden met ontwikkelingsstoornissen waarbij prikkelverwerking een rol speelt, zoals autisme en ADHD, denken mensen dat volwassenen hier geen last van kunnen hebben. Mis! Autisme, ADHD enz. gaan ten eerste niet over als een kind opgroeit. Ten tweede zijn er ook oorzaken van prikkelverwerkingsproblemen die op latere leeftijd optreden, zoals niet-aangeboren hersenletsel.

2. Prikkelverwerkingsproblemen zijn aanstelleritis. Was dat maar waar! Mensen zonder prikkelverwerkngsproblemen kunnen zich helaas moeilijk voorstellen hoe het is om constant overweldigd te worden. Omdat prikkelverweringsproblemen zich vaak uiten als gedragsprobleen, denken mensen dat het kind (of de volwassene) gewoon eens moet leren dat niet de hele wereld zich aan hem kan aanpassen. Dat is natuurlijk wel zo maar dat moet ieder kind leren, want jonge kinderen zijn van nature best egocentrisch. Overprikkeling is een serieus probleem. Hoewel een persoon hiermee kan leren omgaan, passen veel oudere kinderen en volwassenen met prikkelverwerkingsproblemen zich al heel veel aan. Dan mogen ze best verwachten dat er soms rekenig met ze gehouden wordt. Net alss een ernstige fysieke overgevoeligheid/allergie voor bijvoorbeeld een bepaald voedingsmiddel, is het lijden echt. Oké, je gaat niet dood aan overprikkeling en wel aan een ernstige allergische reactie maar je functioneren wordt wel ernstig beperkt als je overprikkeld bent.

3. Overprikkeling is angst, dus exposure (de persoon toch blootstellen aan de vermeden stimulus) werkt. Ten eerste is er nog niet voldoende bewijs dat exposure werkt bij prikkelverwerkingsproblemen. Ten tweede, voor zover als het wel zou kunnen werken, wordt het vaak verkeerd toegepast. Ik krijg vaak te horen dat ik gewoon moet doorzetten en dat dan mijn “angst” voor bepaalde prikkels overgaat. Exposure bij angststoornissen gebeurt normaal gesproken heel geleidelijk onder begeleiding van een getrainde therapeut. Dan kun je, zelfs al zou het hier om een angst gaan, niet verwachten dat een niet-getrainde professional of ouder dit goed kan toepassen.

Sensorische integratietherapie maakt wel gebruik van het blootstellen aan bepaalde prikkels. Dit gebeurt echter in een gestructureerde, veilige omgeving en onder begeleidng van een speciaal opgeleide ergotherapeut. Ook een “sensorisch dieet” gebruikt prikkels maar daarbij gaat het om prikkels en activiteiten die de persoon kunnen helpen zich beter voelen.

4. Alle mensen met prikkelvewerkingsproblemen zijn snel overprikkeld. Omdat overprikkeling vaak het best te herkennen is, wordt onderprikkeling nog wel eens genegeerd of als iets anders afgedaan, zoals hyperactiviteit of “gewone” verveling. Het wordt ook vaak niet herkend dat mensen zowel last kunnen hebben van over- als onderprikkeling. Dit kan zelfs in hetzelfde zintuig het geval zijn. Sommige mensen hebben een hekel aan lichte aanraking maar vinden het heerlijk om stevig geknuffeld te worden bijvoorbeeld.

5. Je kunt altijd zien of een persoon last heeft van prikkels. Zoals Mantelmama schrijft, zijn er mensen die hun overprikkeling uiten maar ook mensen bij wie dit er later pas uitkomt, bijvoorbeeld als ze moeten slapen. Ook veel mensen die soms hun problemen met prikkels uiten, kunnen zich op andere momenten goed aanpassen. Het kan dan zijn dat je je afvraagt wat er nu zo overweldigend is, terwijl de persoon nog moet ontprikkelen van een overweldigende gebeurtenis eerder op de dag.

6. Er bestaat medicatie tegen overprikkeling, dus een “sensorisch dieet” of begeleiding bij het omgaan met prikels is niet nodig. Ik kan me herinneren dat, toen ik net opgenomen was, ik eens licht geïrriteerd reageerde op het geluid van een elektrische zaag. De verpleegkundige die bij me was, reageerde eveneens geïrriteerd dat ik moest ophouden of een zo-nodigtabletje innemen. Er is niet bewezen dat medicatie daadwerkelijk overprikkeling tegengaat. Natuurlijk is het zo dat bepaalde medicijnen, zoals antipsychotica, dempend werken op het brein. Er wordt echter vooral gekeken naar het effect op gedrag en een persoon die te suf is om te reageren op prikkels, lijkt mogelijk onterecht niet overprikkeld. Los van de vraag of medicatie echt werkt, is mijns inziens medicatie geen vervanging van goede begeleiding. Ik slik al jaren medicatie maar wou serieus dat ik eens geholpen werd bij een goed “sensorisch dieet” te creëren voor mezelf.< ?p>

Al met al is het belangrijk rekening te houden met prikkelverwerking bij kinderen (en volwassenen) met gedragsproblemen. Prikkelverwerkingsproblemen zijn geen aanstelleritis, opstandigheid of angst en mensen kunnen zich er niet zomaar overheen zetten.

Heb jij of heeft jouw kind last van prikkelverwerkingsproblemen?

Psychisch lijden moet veel serieuzer genomen worden

Vandaag schreef Leonie een interessante post over psychisch lijden. Zij vindt dat psychisch lijden veel serieuzer genomen moet wroden en daar ben ik het helemaal mee eens.

De discussie die Leonie beschrijft, begon over euthanasie. Dit is een heel controversieel onderwerp waar ik zelf nog niet over uit ben wat ik ervan vind. De psychiater Bram Bakker schreef ooit een column tegen euthanasie bij psychisch lijden. Hij vond in elk geval toen dat er bij psychisch lijden altijd de mogelijkheid is dat een (nieuwe) behandeling uiteindelijk aanslaat. Natuurlijk, aan terminale kanker ga je binnen enkle maanden dood, dus heb je niet de kans om te wachten op een beter medicijn. Aan de andere kant, moet je als persoon met zeg een zware depressie die niet reageert op zelfs de meest heftige medicatie en elektroshocktherapie, verplicht worden nog bij wijze van spreken twintig jaar te wachten tot er een beter medicijn op de markt komt? Het grootste verschil tussen psychisch en fysiek lijden wat betreft euthanasie, is dat je aan een psychische ziekte niet direct doodgaat.

De discussie ging echter verder. Psychisch lijden zou volgens Leonie haar gesprekspartner meer een keuze zijn dan fysiek lijden. Hier kan ik echt boos om worden. Ten eerste suggereert dit dat er een harde grens is tussen geest en lichaam. Dit is onzin. Licht psychisch lijden reageert inderdaad het beste op psychologische behandeling. Bij ernstig psychisch lijden is dit niet het geval. Er is niet bewezen dat hierbjj een duidelijk onderscheid is tussen de oorzaken van het psychisch lijden: iemand die zwaar in een depressie valt na een scheiding, heeft meer baat bij medicatie dan bij psychotherapie, terwijl iemand die “zomaar” licht depressief is, meer baat heeft bij psychotherapie. Bij een euthaansiewens die enige kans heeft gehonoreerd te worden, gaat het altijd om zeer zwaar psychisch lijden. Ook moet iemand alle beschikbare behandelingen aangrijpen. Interessant genoeg is dit bij kanker weer niet zo.

Er rust sowieso een enorm stigma op psychisch lijden, los van de discussie over euthanasie. Toen ik in 2007 opgenomen werd in de psychiatrie, kwamen mijn ouders met de arts praten. Ze vertelden hem dat ik al vanaf kinds af aan regelmatig een doodswens had geuit, dus het zal wel niet zo serieus zijn. Ondertoon: als ik het echt meende, was ik op mijn 21ste wel dood geweest en, als ik het niet echt meende, was het dus een roep om aandacht. Los van het feit dat aandacht een normale mensenlijke behoefte is en “een roep om aandacht” dus helemaal niet zo gek is, zijn er meer oorzaken van terugkerende suïcidaliteit.

Ik heb bijvoorbeeld borderline(trekken). Borderline is een emotieregulatiestoornis, waarbij mensen dus zeer heftige, plotselinge stemmingswisselingen ervaren. Ook al is een emobui bij borderline vaak van korte duur, deze kan als zeer overweldigend ervaren worden. Tien procent van de borderliners overlijdt overigens door zelfmoord. Ook al gaat het dan in veel gevallen om een impulsieve actie, daar heb je in je graf of urn niks aan.

Daarnaast is er bij mij mogelijk sprake van depressiviteit. Ik ben niet ernstig depressief – heb momenteel de diagnsoe depressieve stoornis NAO, omdat ik dus blijkbaar niet aan de criteria van een “gewone” depressie voldoe. Bij depressiviteit speelt vaak dat mensen wel doodsgedachten hebben maar niet de energie hebben om daadwerkelijk zelfmoord te plegen. Mensen lijden echter wel onder die doodsgedachten. Ik tenminste wel: het is niet leuk om geregeld aan de dood te denken (en dan heb ik nog relatief lichte klachten). Voor mensen met een zware depressie kan de gedachte aan de dood constant zijn. Overigens kan, door de manier waarop antidepressiva werken, iemand kort na het starten met medicatie juist zelfmoord plegen. Dit is geen onwil om de mdicatie zijn werk te laten doen: de medicatie zorgt er eerst voor dat je actiever wordt en daarna pas dat je stemming verbetert. Als je je dus nog steeds depressief voelt maar wel weer energie hebt, is de kans groter dat je naar je doodswens handelt.

Zoals ik al zei, is het voor de persoon zelf echt niet leuk om doodsgedachten te hebben. Je kunt als buitenstaander wel denken dat iemand jou hiermee wil belasten maar hij wordt er zelf het zwaarst door belast. Als ik een knop kon omzetten en geen doodsgedachten meer hebben, zou ik het puur voor mezelf al doen. Ik zou dan ook gelijk mijn andere psychische klachten uitschakelen. Bijkomend fijn dat ik dan niet meer voor stijgende zorgkosten zorg met het instellingsbed wat ik bezet houd.

Twaalf tips tegen eetbuien

Vanmiddag ging ik naar de stationswinkel hier in Wolfheze. Een verpleegkundige die nogal into gezonde voeding is, adviseerde me om geen snoep te halen. Gezond eten verkoopt men daar echter niet of is belachelijk duur. Ik wilde dus eerst alleen chips en tomatensoep kopen. Niet dat chips gezond is maar het is tenminste geen snoep. Uiteindelijk nam ik om die verpleegkundige een hak te zetten, ook een zakje snoepkersen mee (want kersen zijn fruit, dus gezond…). Nu zijn we net een paar uur verder en is alles behalve de tomatensoep allang weer op. Hallo eetbui. Om mezelf te motiveren tegen de eetbuien te vechten, zocht ik op internet naar tips tegen eetbuien. Vandaag deel ik een aantal tips die ik vond en tips die ik zelf als nuttig ervaar.

1. Denk in termen van wat mag, niet in termen van wat niet mag. Deze tip kwam ik tegen en vind ik heel mooi. Vaak word ik heel opstandig als iemand zegt dat ik beter niet kan snoepen. Dit zie je hierboven al: om de verpleegkundige die mij waarschuwde, te plagen, kocht ik snoep. Natuurlijk mag ik niet elke dag een zak chips leeg eten maar het is beter om hier niet op te focussen. Je kunt je in plaats daarvan focussen op het eten wat je wel elke dag mag eten.

2. Eet voldoende en regelmatig. Een crashdieet is geen oplossing voor een eetprobleem. Ook als je niet bewust aan het diëten bent, kun je toch te weinig eten. Ik had bijvoorbeeld voor de lunch vandaag maar één boterham gegeten, wat echt te weinig is.

3. Je kunt op elk moment van je leven beginnen met een gezonder eetpatroon. Als je een terugslag of zelfs volledige terugval hebt, betekent dit niet dat het “toch geen zin heeft” of “toch al verpest is”. Elke eetbui die je niet hebt, is er één minder.

4. Stel het uit. Een tip die ik ooit tegenkwam als advies om om te gaan met zucht naar verslavende middelen, is “urge surfing”. Het gaat er hierbij om niet te veel aandacht te besteden aan de zucht. Dat betekent niet dat het er niet is of mag zijn maar je moet het ook niet groter maken. Dit betekent ook: negeren in plaats van ertegen vechten. Uiteindelijk zul je misschien wel weer onweerstaanbare eetbuidrang krijgen maar hoe langer je het uitstelt, hoe beter.

5. Weeg jezelf niet (te vaak). Ik merk zelf dat, wat het getal op de weegschaal ook is, ik het altijd wel als een excuus kan zien om een eetbui te houden. Natuurlijk is het belangrijk dat je niet al te zwaar wordt maar dit kun je ook aan je kleding en conditie merken. Focus je trouwens niet op afvallen, want voor veel mensen met een eetprobleem is een focus op gewicht en afvallen een trigger.

6. Laat je gevoel er zijn. Vaak zijn eetbuien een manier om gevoelens te onderdrukken. Dan komen die gevoelens echter vaak dubbel zo hard terug.

7. Zoek een sport of bewegingsactiviteit die bij je past. Ik krijg vaak als tip om te gaan sporten i.p.v. eten. Goed bedoeld natuurlijk maar het moet wel bij je passen. Op de crosstrainer staan, houd ik misschien een kwartier vol en dan gebruik ik het weer als smoes om te mogen eten. Ik vind wandelen, yoga en oefeningen met de fitnessbal of weerstandband veel fijner, zeker als ik eetbuidrang heb. Als ik geen drang heb, wil ik best op die crosstrainer, want het is wel gezond. Het is echter nog beter om een activiteit te vinden die bij me past en die ik langere tijd kan volhouden. Ik zit al maanden na te denken om te gaan zwemmen maar durf dit niet te vragen. We hebben namelijk een zwembad op het instellingsterrein maar hiervoor moet je door je behandelaar worden aangemeld.

8. Zoek positieve, plezierige manieren van afleiding. Ik schreef dit oorspronkelijk als tip hierboven en begon toen over sporten. Veel mensen die aan eetbuien lijden, beleven echter geen plezier aan bewegen. Het is meer iets wat “moet”. Dat klopt ook wel (zoals ik hierboven zei) maar het geeft mij in elk geval niet de euforie die een eetbui geeft. Zoek dus activiteiten die je kunnen afleiden en die tenminste wel een positief gevoel geven. Het kan hierbij dus ook gaan om alleen maar muziek luisteren of een serie bingewatchen.

9. Vier al je overwinningen en besteed niet te veel aandacht aan je terugslagen. Er was een tijd dat ik bijna elke dag eetbuien had. Ik deed mee aan een topic op het forum van Proud2Bme om van eetbuien af te komen maar werd vaak niet gemotiveerd, omdat de teller elke keer weer op “nul dagen eetbuivrij” stond. In plaats daarvan ervaar ik dat het me meer helpt als ik uitgebreid stilsta bij de dagen dat ik eetbuivrij ben en niet te veel aandacht schenk aan mijn terugslagen. Dit betekent niet dat je een dag dat je een terugslag hebt maar gewoon voorbij moet laten gaan – anders was deze post een beetje hypocriet. Maar focus je op het positieve.

Het heeft ook geen zin om je uitgebreid schuldig te gaan voelen over een terugslag. Misschien heltp het je om de volgende keer beter na te denken voor je een eetbui hebt maar de kans is groot dat je jezelf vooral voedt met negativiteit.

10. Geniet van eten. Een kenmerk bij eetbuien is vaak dat je je eten achter elkaar naar binnen werkt zonder het zelfs maar te proeven. Daartegenover staat weer dat sommige mensen eten puur zien als brandstof en daarom niet durven te genieten van (al dan niet gezond) eten. Eetbuivrij zijn betekent niet dat je nooit meer iets lekkers mag maar je moet hier bewust voor kiezen en van genieten. Ook gezond eten mag trouwens lekker smaken, dus veprlicht je niet op een stengel bleekselderij te knagen als je dat niet lust.

11. Hoe om te gaan met eetbuivoedsel? Verschillende strategieën werken voor verschillende mensen. Voor veel mensen werkt het om de ergste binge foods niet in huis te halen. Dit betkeent geenszins dat het “verboden voedsel” is. Als je eenmaal goed naar je lichaam kunt luisteren en merkt dat je gewoon eens zin hebt in voedsel wat anders een binge food zou zijn, kun je dit halen en zonder schuldgevoel ervan genieten.

12. Heb geduld en wees aardig voor jezelf. Ook nu je nog niet (volledig) hersteld bent, ben je goed zoals je bent. Jezelf accepteren zoals je nu bent, is de eerste stap naar verandering.

Heb jij ook last van eetbuien? En zo ja, heb je nog tips om ervanaf te komen?

Psychisch ziek zijn en een kinderwens

Vorige week was het de week van de vruchtbaarheid. Vandaag las ik op Kinderwensbloggers.comover het voorstel om ook een dag van de kinderwens in te lassen. Dit vind ik heel mooi, want ongewilde kinderloosheid heeft niet per definitie met vruchtbaarheidsproblemen te maken. Ikzelf ben ongewenst kinderloos maar voor zover ik weet niet onvruchtbaar. Vandaag wil ik mijn verhaal delen. Ik heb al eens eerder op een oud blog geschreven over mijn moeilijke keuze om niet voor kinderen te gaan. Vandaag publiceer ik een ge-updatete versie van deze post.

Toen ik jong was, was ik er altijd van overtuigd dat ik later kinderen zou krijgen. Het was niet speciaal dat ik een moedergevoel had, maar ik kon me tegelijk niet voorstellen dat iemand niet van kinderen hield. Duh, ik was zelf kind, en wie hield er nou niet van mij? 😉 Bovendien: huisje, boompje, beestje en kindje, dat hoorde gewoon. Ik had nooit vriendjes en toch ging ik ervanuit dat ik later een gezin zou stichten.

Hier begon ik pas aan te twijfelen toen het psychisch minder goed met me ging na de middelbare school. Niet dat het op de middelbare school wel goed ging, maar ik dacht dat dit bij de puberteit hoorde. Pas toen ik op mijn 21ste in een psychiatrische crisis belandde, wist ik dat ik (een deel van) mijn dromen moest laten varen. Niet dat een kind toen hoog op mijn verlanglijstje stond, dus ik was er niet echt mee bezig. Dat kwam pas ongeveer drie jaar geleden.

Het krijgen van kinderen is niet iets waar je licht over moet denken, ook als je ogenschijnlijk geen problemen hebt. Als je een psychische ziekte hebt, is het echter een extra lastige beslissing.

Voor de duidelijkheid: ik vind niet dat een psychische ziekte of welke beperking dan ook per definitie betekent dat je geen kinderen zou mogen krijgen. Daarentegen is een kind geen recht, maar een verantwoordelijkheid. Hier moet je je bewust van zijn.

Er zijn verschillende redenen waarom het extra lastig kan zijn om voor kinderen te gaan als je een psychiatrische ziekte hebt. Zo kan het zijn dat je medicijnen moet slikken om stabiel te blijven. Veel van deze medicijnen kunnen schadelijk zijn voor het ongeboren kind. Verder kunnen een zwangerschap en de bijbehorende hormonale schommelingen, je problemen verergeren. Ben je van plan zwanger te worden, dan kun je voor advies over dit soort zaken je laten doorverwijzen naar een POP-poli (psychiatrie, obstetrie, pediatrie). Hier werken psychiaters, verloskundigen en kinderartsen samen om zwangere vrouwen en nieuwe moeders met psychische beperkingen te begeleiden. Je kunt bijvoorbeeld advies krijgen over welke medicatie niet schadelijk is voor je ongeboren kind.

Daarnaast is het belangrijk na te denken over het welzijn en de opvoeding van je eventuele toekomstige kind. Kun je een kind een veilig en geborgen thuis bieden? Heb je voldoende steun van familie, vrienden en eventueel professionals voor als je een mindere periode doormaakt?

Ik zit zelf langdurig opgenomen in de psychiatrie. Zolang ik opgenomen zit, is een kind krijgen uiteraard uitgesloten. Ik ben er echter 99% zeker van dat ik ook later geen kind zou kunnen opvoeden. Dit is een moeilijk gegeven, want ergens zou ik het wel willen kunnen.

Als je besluit dat voor jou een kind krijgen er niet in zit, is het belangrijk te bedenken waar je wel voldoening uit haalt, zeker als je altijd graag moeder hebt willen worden. Dit kan nog extra moeilijk zijn als je door je psychische beperking niet kunt werken en dus ook daar misschien een droom hebt moeten laten gaan. Bedenk dan waar jij toch tevreden over kunt zijn in je leven. Voor mij is dat bijvoorbeeld het feit dat ik goed kan schrijven.

Het kan ook helpen om steun te zoeken bij andere (ongewenst) kinderloze mensen. Ik vind het dan nog vaak moeilijk om me open te stellen, omdat ik bang ben voor vooroordelen. Ik heb immers een andere reden waarom ik geen kinderen zal krijgen dan de meeste ongewnest kinderloze mensen. Ik denk dan soms: “Het is toch mijn eigen keuze, waar doe ik moeilijk over?” Toch heb ik tot nu toe meestal wel begrip gekregen voor mijn situatie.

Diagnose: afhankelijke persoonlijkheidsstoornis

Afgelopen donderdag had ik een gesprek met mijn psycholoog. Ik had de week hiervoor behandelplanbespreking gehad, waar ikzelf niet bij was. Volgens mijn persoonlijk begeleider hadden mijn psycholoog en psychiater behoorlijk heen en weer zitten kissebissen over mijn diagnose. Uiteindelijk is er iets uitgekomen en donderdag deelde mijn psycholoog me dit mede. Ik heb nu als hoofddiagnose een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Vandaag vertel ik wat dit is en in hoeverre ik me hierin herken.

De afhankelijke persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door een diepgaande en buitensporige behoefte verzorgd te worden, wat leidt tot onderworpen en vastklampend gedrag, en de angst in de steek gelaten te worden, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:

  1. Kan moeilijk alledaagse beslissingen nemen zonder overdreven veel advies en geruststelling door anderen. Dit herken ik ergens wel bij mezelf. Vanaf de puberteit af aan liet ik vaak mijn klasgenoten bijvoorbeeld beslissen waar ik ging zitten in de pauze. Dit deed ik, omdat ik vond dat ik een last was voor anderen en dat zij dus mochten beslissen in hoeverre ik die last mocht zijn. Nog steeds laat ik anderen soms simpele beslissingen voor mij nemen. Aan de andere kant heb ik vaak moeite om situaties te overzien en kan ik daardoor moeilijk beslissingen nemen. Ik neem dan wel de beslissing maar heb toch veel aanwijzingen nodig bij het uitvoeren. Dit heeft niets te maken met een negatief zelfbeeld maar kan wel zo gezien worden.
  2. Heeft anderen nodig die de verantwoordelijkheid overnemen voor de meeste belangrijke gebieden van zijn leven. Ook dit herken ik ergens wel, zoals bij de beslissing om te gaan samenwonen met mijn man. Aan de andere kant merk ik ook dat er vaak niet naar mijn mening, als ik die dan eens uit, geluisterd wordt. “Jij wilde dit,” wordt me dan voor de voeten geworpen. Ik vecht vaak enorm voor de steun die ik (naar mijn mening) nodig heb. Dit leidt in mijn ogen tot een dubbele binding: als ik meega in andermans idee dat ik best bijvoorbeeld zelfstandig kan wonen, ben ik passief, terwijl als ik ertegenin ga, ik me vastklamp.
  3. Vindt het moeilijk een verschil van mening tegen anderen te uiten uit vrees steun of goedkeuring te verliezen. De realistische vrees voor straf wordt hier niet toe gerekend. Dit herken ik wel. Net als met het nemen van alledaagse beslissingen in het eerste criterium, heb ik het gevoel dat ik inherent een last ben voor anderen als ik meningsverschillen uit. Ik vind dit in bepaalde situaties erg moeilijk, zowel in mijn relatie als in mijn behandeling.
  4. Heeft moeilijkheden ergens alleen aan te beginnen of dingen alleen te doen (eerder als gevolg van een gebrek aan zelfvertrouwen in eigen oordeel of mogelijkheden dan uit gebrek aan motivatie of energie). Hierbij is wat tussen haakjes staat, naar mijn mening belangrijk. Ik heb heel veel moeite aan dingen te beginnen maar dit komt meer door een gebrek aan energie dan door een gebrek aan zelfvertrouwen. Mijn psych vindt wel dat ik aan dit criterium voldoe.
  5. Gaat tot het uiterste om verzorging en steun van anderen te krijgen, kan zelfs aanbieden vrijwillig dingen te doen die onplezierig zijn. Dit herkende ik in eerste instantie, toen mijn psycholoog me de criteria voorlas, niet. Ik dacht hierbij namelijk aan overduidelijk misbruik en dit maak ik op dit moment niet mee. Nu ik erover nadenk, realiseer ik me dat ik wel aan dit criterium voldoe, en hoe. Auw.
  6. Voelt zich onbehaaglijk of hulpeloos wanneer hij alleen is, vanwege de overmatige vrees niet in staat te zijn voor zichzelf te zorgen. Dit vond mijn psycholoog overduidelijk op mij van toepassing, omdat ik me vaak rot voel als ik een middag (of zelfs een uur) alleen thuis ben terwijl mijn man bijvoorbeeld op zijn werk is. Ik snap het ergens wel, want ik ben inderdaad vaak bang dat er iets gebeurt wat ik niet in mijn eentje kan oplossen.
  7. Zoekt hardnekkig naar een andere relatie als een bron van verzorging en steun als een intieme relatie tot een einde komt. Hier heb ik geen ervaring mee, want mijn huwelijk is ook mijn eerste relatie.
  8. Is op een onrealistische wijze gepreoccupeerd met de vrees aan zichzelf te worden overgelaten. Auw, ja. Ik ben bijvoorbeeld vaak gelijk bang als ik hoor dat de verpleging onderbezet is of een vergadering heeft.

Aan de ene kant kan ik dus wel zien dat ik aan de criteria voor deze stoornis voldoe. Aan de andere kant heb ik het idee dat het een smoes is om mijn beperkingen te kunnen ontkennen. Men heeft me namelijk een diagnose van ontwikkelingsstoornis NAO gegeven. Ik had hier nog nooit van gehoord en krijg ook bij googlen geen duidelijkheid over wat het is. Omdat dit zo vaag is, kan men bij mijn vervolgbehandeling gemakkelijk negeren dat ik beperkingen heb die voortkomen uit overbelasting/overprikkeling.

Mijn weg naar hulp voor psychische klachten: eerder is beter?

Vandaag is het de landelijke dag psychische gezondheid. Internaitonaal is 10 oktober ook World Mental Health Day, dus het is niet vreemd dat dit in Nederland is overgenomen. Dit jaar staat de dag in het teken van psychische gezondheid en psychische klachten bij jongeren. Volgens Fonds Psychische Gezondheid ontstaat 75% van de ernsitge psychische problemen voor je 25ste. “Eerder is beter,” is dan ook de slogan voor dit jaar.

Zoals mensen die niet nu voor het eerst op mijn blog komen wel weten, heb ik ook psychische klachten. Ik ben zelf op mijn 20ste voor het eerst met de GGZ in aanraking gekomen. Vandaag wil ik jullie vertellen hoe mijn weg naar hulp verliep.

Eén van de grootste problemen die ik ervaren heb bij het vinden van hulp, is het feit dat ik niet om hulp durfde te vragen en niet wist waar ik terecht kon. Ik wist wel dat ik via de huisarts een verwijzing moest vragen maar ik wist niet wat ik dan moest zeggen. Het stigma rond psychische klachten speelt hier erg in mee. Ik wilde bijvoorbeeld niet met een vermoeden van een bepaalde stoornis naar de huisarts, hoewel ik wel zo’n vermoeden had. Ik had namelijk vanaf mijn zestiende ongeveer het idee dat ik wellicht iets in het autistisch spectrum kon hebben. Maarja, Asperger was “hot” in die tijd (2003), omdat een bekende psychiater dacht dat Volkert van der Graaf dit had. Bovendien had ik het al dan niet terechte idee dat toegeven dat ik problemen had, betekende dat ik niet meer op mijn gewone school mocht blijven. Ik weet niet of ik nou echt zo gemotiveerd was voor dat gymnasiumdiploma maar mijn ouders wel en ik wilde hen niet teleurstellen.

Uiteindelijk ben ik dus op mijn 20ste pas hulp gaan zoeken. Dit ging niet vanzelf. Ik werd hier min of meer door de begeleiding van het traingshuis voor gehandicapten, waar ik woonde, toe gedwongen. Ze hadden al een afspraak bij GGnet voor me staan toen ik nog naar de huisarts moest. Het was toen ook niet ik die dacht een probleem te hebben. Nou ja, ik wist wel dat het niet normaal was hoe ik me voelde en gedroeg maar ik dacht nog steeds dat psychische hulp zoeken betekende dat ik zwak was.

Bij de huisarts en ook bij de arts-assistent psychiatrie klapte ik volledig dicht. Dit was dan ook wat de huisarts opschreef in zijn verwijsbrief. Het was in die tijd nog niet nodig dat de huisarts alvast inschatte of er sprake was van een DSM-diagnose, zoals nu wel het geval is.

Toen ik op 2 februari 2007 voor het eerst van mijn leven tegenover een heuse psychiater kwam te zitten, vond ik dit wel heel eng. Ik stelde me voor hoe ik nu voor mijn leven voor gek werd verklaard, in een inrichting belandde en binnen de korste keren in de isoleer lag. Achteraf gezien zat ik hier niet eens zo ver naast maar dat lag niet aan die afspraak op 2 februari. Negen maanden later, op 2 november 2007, zat ik volledig doorgeflipt op he tpolitiebureau. OP 1 februari 2008 werd ik voor het eerst opgesloten in de afzondering.

Misschien, dnek ik soms, had ik inderdaad langer moeten doorzetten en klopt “eerder is beter” dus helemaal niet. Mijn voorspellingen dat ik mijn studie niet zou kunnen afronden, dat ik in een “inrichtng” en de separeer zou belanden, zijn immers best wel erg uitgekomen. In die zin is er in 2007 best wel een beerput opengegaan toen ik eenmaal hulp zocht.

Aan de andere kant is autisme een stoornis die op de kinderleeftijd ontstaat en kreeg ik al vanaf ongeveer mijn tiende andere zware psychische klachten. We zullen nooit weten of mijn leven er anders uit had gezien als mijn ouders in die tijd al hulp voor mij hadden gezocht en zo ja, of dat dan beter of slechter zou zijn.

Ik wil wel één ding heel duidelijk maken: een psychische ziekte is een stoornis, geen keuze. Beter worden is ook niet altijd een keuze. Herstel wel.

Gekke gewoontes, angsten en gedachten die ik als kind had

Vanochtend schreef Kim een post over gekke gewoontes en gedachten die ze als kind had. Sommige zijn best herkenbaar. Ook ik was een behoorlijk angstig kind en had veel “magische” denksprongetjes. Ik nam ook veel letterlijk, zoals ik al schreef in mijn post over grappige taalmisverstanden. Vandaag deel ik een aantal gekke gewoontes en gedachten die ik vroeger had met jullie.

1. Lepra. Toen ik jong was, was er veel aandacht in de media voor lepra en de Leprastichting. Ik hoorde dus dat als je lepra had, je vingers en tenen gevoelloos werden en er daarna afvielen. Ik was altijd al bang voor enge ziektes en lepra stond daar wel bovenaan, dus telde ik mijn vingers en tenen ’s nachts na. Soms deed ik dit wel tien keer op een nacht.

2. Spiritus. Mijn ouders vertelden me dat je blind kon worden als je spiritus dronk, vanwege de methanol die erin zit. Daarom had spiritus een blauwe kleur als waarschuwing. Ik was dus doodsbang als mijn ouders spiritus gebruikten als schoonmaakmiddel. Als ze hier iets mee hadden schoongemaakt, durfde ik dat niet aan te raken, omdat ik bang was dat ik dan per ongeluk mijn vingers zou aflikken en spiritus binnenkrijgen.

Maar het werd nog gekker. Ik haalde me op een gegeven moment in mijn hoofd dat er spiritus uit de kraan kon komen. Ik keek dus altijd of het water blauw was. Zo niet, dan was het veilig.

Ik was overigens echt speciaal bang om blind te worden door spiritus. Toen ik ooit over een cobra hoorde die gif kon spuwen waar je blind van wordt, was ik ook bang hiervoor. Natuurlijk was de kans veel groter dat ik door mijn oogaandoening blind werd dan door spiritus te drinken of een cobra tegen te komen.

Later, nog maar een paar jaar geleden, kwam het idee van gif uit de kraan opnieuw in me op. Ik hoorde toen over iemand die zijn ex met zwavelzuur had overgoten. Die vrouw voelde zich altijd alsof ze onder een te hete douche stond door de brandwonden. Nou douche ik vrij heet, dus haalde ik me in mijn hoofd dat er zwavelzuur uit de douche kwam.

3. Toekomst voorspellen. Ik had toen ik een jaar of twaalf was een glazen ovaaltje. Ik denk dat het ding ooit bedoeld was als versierng voor in een aquarium of zo. Dit steentje had een bolle en een platte kant en ik meende dat ik hiermee de toekomst kon voorspeleln. Als de bolle kant boven kwam, was het antwoord “Ja”, terwijl de platte kant “Nee” betekende. Natuurlijk zijn er verschillen tussen de twee kanten, waarbij de ene kant meer kans maakt om boven te omen dan de andere.

Overigens had ik in diezelfde tijd de gedache dat ik met mandarijnen wensen kon doen. Als ik de schil er in één keer af kreeg, mocht ik iets wensen. Het aantal partjes bepaalde hoe groot de kans was dat mijn wens uit zou komen. En dan was er nog iets met als er pitjes in zaten maar dat weet ik al niet meer. Deze is overigens helemaal niet zo origineel, want veel mensen hebben volgens mij dit bijgeloof met sinaasappels.

4. Bolbliksem. Ooit hoorde ik van iemand dat ze bij diegene thuis bolbliksem hadden. Er was een vuurbal door een keukenraampje naar binnen gevlogen. Of ik het verkeerd begrepen heb of dat diegene maar een verhaal zat op te dissen, weet ik niet. IK was altijd superbang voor onweer en weet nog steeds niet 100% zeker dat een bliksemschicht niet door een keukenraam kan komen.

5. Tellen. Ik denk niet dat dit heel raar is maar ik telde echt alles. Zo stond ik op een gegeven moment op de middelbare school “gewoon” de steentjes van een muurtje te tellen. Mijn vader, die op mijn school werkte, vond me er somber uitzien en werd boos omdat ik me raar gedroeg.

Mij vallen wel vaak patronen op en ik probeer symmetrie in dingen te vinden. Vind het bijvoorbeeld nog steeds jammer dat de drinkglazen bij mijn favoriete restaurant negen vlakjes hebbn.

Heb of had jij ook vreemde gewoontes, angsten of gedachten?