Categorie archief: Psyche

Herstellen na een psychische crisis

Afgelopen dinsdag was ik in een flinke psychische crisis. De details zal ik jullie besparen maar het was even goed mis. Gelukkig hoefde ik echter niet in de GGZ opgenomen te worden en kon dus vrij snel de draad van mijn leven weer oppakken. Dit blijkt lastiger dan ik had gedacht. Vandaag deel ik mijn ideeën en tips voor herstel na een psychische crisis.

Een psychische crisis komt niet uit de lucht vallen. Ook al was de acute nood zoals bij mij meer een paniekreactie dan zorgvuldig gepland, dan nog zijn er signalen die eraan vooraf gaan. Ik merkte bijvoorbeeld al een paar weken dat ik meer moeite had als mijn man laat thuis was van zijn werk. De aanleiding voor mijn crisis was dan wel iets heel specifieks, maar de oorzaak lag dieper.

Veiligheid

Het allereerste wat belangrijk is na een crisis, is dat je zorgt dat het niet snel nog eens fout gaat. Als je bijvoorbeeld suïcidaal of ernstig zelfdestructief gedrag vertoonde, zorg dan dat iemand anders je medicatie en scherpe voorwerpen in beheer neemt. Natuurlijk moet je uiteindelijk weer zelf deze verantwoordelijkheid aankunnen maar in eerste instantie is het voor ieders gemoedsrust beter als iemand anders ervoor zorgt dat je jezelf niks aan kan doen.

Ritme

Daarnaast is het belangrijk zo snel mogelijk weer een normaal ritme op te pakken. Vroeger werd gedacht dat mensen na een psychische crisis het vooral rustig aan moesten doen. Dit blijkt niet te werken. Ik ben dus, zodra ik lichamelijk enigszins hersteld was, weer naar dagbesteding gegaan. Ook probeer ik de draad van het sporten en gezond eten weer op te pakken, ook al voelt dit soms als nutteloos.

Het is belangrijk niet te blijven hangen in negativiteit. Dit is moeilijk, want je zult na een crisis weer terug moeten naar het leven waar je juist van weg wilde vluchten. Ikzelf realiseerde me gelukkig vrij snel dat ik niet opgenomen wilde worden en dus terug naar huis wilde. Dat dit betekende dat ik weer hele middagen en een deel van de avond alleen zou moeten zijn, besefte ik wel.

Hulp inschakelen

Wel kon ik wat meer hulp inschakelen. Ik ben in behandeling bij een FACT-team. Dit is een team wat mensen met langdurige, ernstige psychiatrische problemen behandelt. Ik had dinsdag tijdens mijn crisis mijn verpleegkundige proberen te bereiken maar zij was druk. Nu heeft zij mij geadviseerd om de volgende keer naar de verpleegkudnige van dienst te vragen. Ook hebben we afgesproken dat een medewerker van het FACT-team de komende tijd eens per week contact met mij zoekt. Er bestaat ook een telefoon-op-receptregeling, waarbij je buiten kantooruren contact kunt hebben met een verpleegkundige. Meestal wordt dit vanuit een kliniek georganiseerd en krijg je dus iemand aan de lijn die jou niet persoonlijk kent. Voor nu lijkt dit nog niet nodig.

Gelukkig gaat er nu ook eindelijk haast gemaakt worden met het regelen van woonondersteuning. Dit is dan weliswaar niet geschikt voor crisisinterventie maar ze kunnen mij wel helpen met de praktische problemen die mij anders spanning zouden geven.

Al met al is het belangrijk dat je de oorzaak van de crisis aanpakt door bijvoorbeeld meer hulp in te schakelen. Daarnaast is het belangrijk te bedenken wat jou tot nu toe op de been hield. In mijn geval is dit bijvoorbeeld mijn dagbesteding. Dit moet je dan zo snel mogelijk weer oppakken.

Ik schrijf in deze post over een acute crisis met een specifieke aanleiding. Ik was niet depressief. Ook in dit geval kan het echter zo zijn dat de gedachte om jezelf iets aan te doen, nog langer blijft bestaan. Maak deze gedachte bespreekbaar met je behandelaren. Zij kunnen je immers tips geven om je gedachten te veranderen.

Misverstanden over prikkelverwerking

Een paar dagen geleden schreef Mantelmama een interessante post over slaapproblemen door overprikkeling. Zij gaat er in haar post vanuit dat veel mensen (ouders) een redelijke algemene kennis hebben over prikkelverwerking en overprikkeling. Ik hoop dat ouders van kinderen met prikkelverwerkingsstoornissen hier inmiddels aardig wat kennis over hebben. Zelf kom ik echter nog veel misverstanden tegen. Vandaag deel ik er een aantal.

1. Prikkelverwerkingsstoornissen zijn een kinderziekte. Omdat er tegenwoordig steeds meer kinderen gediagnosticeerd worden met ontwikkelingsstoornissen waarbij prikkelverwerking een rol speelt, zoals autisme en ADHD, denken mensen dat volwassenen hier geen last van kunnen hebben. Mis! Autisme, ADHD enz. gaan ten eerste niet over als een kind opgroeit. Ten tweede zijn er ook oorzaken van prikkelverwerkingsproblemen die op latere leeftijd optreden, zoals niet-aangeboren hersenletsel.

2. Prikkelverwerkingsproblemen zijn aanstelleritis. Was dat maar waar! Mensen zonder prikkelverwerkngsproblemen kunnen zich helaas moeilijk voorstellen hoe het is om constant overweldigd te worden. Omdat prikkelverweringsproblemen zich vaak uiten als gedragsprobleen, denken mensen dat het kind (of de volwassene) gewoon eens moet leren dat niet de hele wereld zich aan hem kan aanpassen. Dat is natuurlijk wel zo maar dat moet ieder kind leren, want jonge kinderen zijn van nature best egocentrisch. Overprikkeling is een serieus probleem. Hoewel een persoon hiermee kan leren omgaan, passen veel oudere kinderen en volwassenen met prikkelverwerkingsproblemen zich al heel veel aan. Dan mogen ze best verwachten dat er soms rekenig met ze gehouden wordt. Net alss een ernstige fysieke overgevoeligheid/allergie voor bijvoorbeeld een bepaald voedingsmiddel, is het lijden echt. Oké, je gaat niet dood aan overprikkeling en wel aan een ernstige allergische reactie maar je functioneren wordt wel ernstig beperkt als je overprikkeld bent.

3. Overprikkeling is angst, dus exposure (de persoon toch blootstellen aan de vermeden stimulus) werkt. Ten eerste is er nog niet voldoende bewijs dat exposure werkt bij prikkelverwerkingsproblemen. Ten tweede, voor zover als het wel zou kunnen werken, wordt het vaak verkeerd toegepast. Ik krijg vaak te horen dat ik gewoon moet doorzetten en dat dan mijn “angst” voor bepaalde prikkels overgaat. Exposure bij angststoornissen gebeurt normaal gesproken heel geleidelijk onder begeleiding van een getrainde therapeut. Dan kun je, zelfs al zou het hier om een angst gaan, niet verwachten dat een niet-getrainde professional of ouder dit goed kan toepassen.

Sensorische integratietherapie maakt wel gebruik van het blootstellen aan bepaalde prikkels. Dit gebeurt echter in een gestructureerde, veilige omgeving en onder begeleidng van een speciaal opgeleide ergotherapeut. Ook een “sensorisch dieet” gebruikt prikkels maar daarbij gaat het om prikkels en activiteiten die de persoon kunnen helpen zich beter voelen.

4. Alle mensen met prikkelvewerkingsproblemen zijn snel overprikkeld. Omdat overprikkeling vaak het best te herkennen is, wordt onderprikkeling nog wel eens genegeerd of als iets anders afgedaan, zoals hyperactiviteit of “gewone” verveling. Het wordt ook vaak niet herkend dat mensen zowel last kunnen hebben van over- als onderprikkeling. Dit kan zelfs in hetzelfde zintuig het geval zijn. Sommige mensen hebben een hekel aan lichte aanraking maar vinden het heerlijk om stevig geknuffeld te worden bijvoorbeeld.

5. Je kunt altijd zien of een persoon last heeft van prikkels. Zoals Mantelmama schrijft, zijn er mensen die hun overprikkeling uiten maar ook mensen bij wie dit er later pas uitkomt, bijvoorbeeld als ze moeten slapen. Ook veel mensen die soms hun problemen met prikkels uiten, kunnen zich op andere momenten goed aanpassen. Het kan dan zijn dat je je afvraagt wat er nu zo overweldigend is, terwijl de persoon nog moet ontprikkelen van een overweldigende gebeurtenis eerder op de dag.

6. Er bestaat medicatie tegen overprikkeling, dus een “sensorisch dieet” of begeleiding bij het omgaan met prikels is niet nodig. Ik kan me herinneren dat, toen ik net opgenomen was, ik eens licht geïrriteerd reageerde op het geluid van een elektrische zaag. De verpleegkundige die bij me was, reageerde eveneens geïrriteerd dat ik moest ophouden of een zo-nodigtabletje innemen. Er is niet bewezen dat medicatie daadwerkelijk overprikkeling tegengaat. Natuurlijk is het zo dat bepaalde medicijnen, zoals antipsychotica, dempend werken op het brein. Er wordt echter vooral gekeken naar het effect op gedrag en een persoon die te suf is om te reageren op prikkels, lijkt mogelijk onterecht niet overprikkeld. Los van de vraag of medicatie echt werkt, is mijns inziens medicatie geen vervanging van goede begeleiding. Ik slik al jaren medicatie maar wou serieus dat ik eens geholpen werd bij een goed “sensorisch dieet” te creëren voor mezelf.< ?p>

Al met al is het belangrijk rekening te houden met prikkelverwerking bij kinderen (en volwassenen) met gedragsproblemen. Prikkelverwerkingsproblemen zijn geen aanstelleritis, opstandigheid of angst en mensen kunnen zich er niet zomaar overheen zetten.

Heb jij of heeft jouw kind last van prikkelverwerkingsproblemen?

Psychisch lijden moet veel serieuzer genomen worden

Vandaag schreef Leonie een interessante post over psychisch lijden. Zij vindt dat psychisch lijden veel serieuzer genomen moet wroden en daar ben ik het helemaal mee eens.

De discussie die Leonie beschrijft, begon over euthanasie. Dit is een heel controversieel onderwerp waar ik zelf nog niet over uit ben wat ik ervan vind. De psychiater Bram Bakker schreef ooit een column tegen euthanasie bij psychisch lijden. Hij vond in elk geval toen dat er bij psychisch lijden altijd de mogelijkheid is dat een (nieuwe) behandeling uiteindelijk aanslaat. Natuurlijk, aan terminale kanker ga je binnen enkle maanden dood, dus heb je niet de kans om te wachten op een beter medicijn. Aan de andere kant, moet je als persoon met zeg een zware depressie die niet reageert op zelfs de meest heftige medicatie en elektroshocktherapie, verplicht worden nog bij wijze van spreken twintig jaar te wachten tot er een beter medicijn op de markt komt? Het grootste verschil tussen psychisch en fysiek lijden wat betreft euthanasie, is dat je aan een psychische ziekte niet direct doodgaat.

De discussie ging echter verder. Psychisch lijden zou volgens Leonie haar gesprekspartner meer een keuze zijn dan fysiek lijden. Hier kan ik echt boos om worden. Ten eerste suggereert dit dat er een harde grens is tussen geest en lichaam. Dit is onzin. Licht psychisch lijden reageert inderdaad het beste op psychologische behandeling. Bij ernstig psychisch lijden is dit niet het geval. Er is niet bewezen dat hierbjj een duidelijk onderscheid is tussen de oorzaken van het psychisch lijden: iemand die zwaar in een depressie valt na een scheiding, heeft meer baat bij medicatie dan bij psychotherapie, terwijl iemand die “zomaar” licht depressief is, meer baat heeft bij psychotherapie. Bij een euthaansiewens die enige kans heeft gehonoreerd te worden, gaat het altijd om zeer zwaar psychisch lijden. Ook moet iemand alle beschikbare behandelingen aangrijpen. Interessant genoeg is dit bij kanker weer niet zo.

Er rust sowieso een enorm stigma op psychisch lijden, los van de discussie over euthanasie. Toen ik in 2007 opgenomen werd in de psychiatrie, kwamen mijn ouders met de arts praten. Ze vertelden hem dat ik al vanaf kinds af aan regelmatig een doodswens had geuit, dus het zal wel niet zo serieus zijn. Ondertoon: als ik het echt meende, was ik op mijn 21ste wel dood geweest en, als ik het niet echt meende, was het dus een roep om aandacht. Los van het feit dat aandacht een normale mensenlijke behoefte is en “een roep om aandacht” dus helemaal niet zo gek is, zijn er meer oorzaken van terugkerende suïcidaliteit.

Ik heb bijvoorbeeld borderline(trekken). Borderline is een emotieregulatiestoornis, waarbij mensen dus zeer heftige, plotselinge stemmingswisselingen ervaren. Ook al is een emobui bij borderline vaak van korte duur, deze kan als zeer overweldigend ervaren worden. Tien procent van de borderliners overlijdt overigens door zelfmoord. Ook al gaat het dan in veel gevallen om een impulsieve actie, daar heb je in je graf of urn niks aan.

Daarnaast is er bij mij mogelijk sprake van depressiviteit. Ik ben niet ernstig depressief – heb momenteel de diagnsoe depressieve stoornis NAO, omdat ik dus blijkbaar niet aan de criteria van een “gewone” depressie voldoe. Bij depressiviteit speelt vaak dat mensen wel doodsgedachten hebben maar niet de energie hebben om daadwerkelijk zelfmoord te plegen. Mensen lijden echter wel onder die doodsgedachten. Ik tenminste wel: het is niet leuk om geregeld aan de dood te denken (en dan heb ik nog relatief lichte klachten). Voor mensen met een zware depressie kan de gedachte aan de dood constant zijn. Overigens kan, door de manier waarop antidepressiva werken, iemand kort na het starten met medicatie juist zelfmoord plegen. Dit is geen onwil om de mdicatie zijn werk te laten doen: de medicatie zorgt er eerst voor dat je actiever wordt en daarna pas dat je stemming verbetert. Als je je dus nog steeds depressief voelt maar wel weer energie hebt, is de kans groter dat je naar je doodswens handelt.

Zoals ik al zei, is het voor de persoon zelf echt niet leuk om doodsgedachten te hebben. Je kunt als buitenstaander wel denken dat iemand jou hiermee wil belasten maar hij wordt er zelf het zwaarst door belast. Als ik een knop kon omzetten en geen doodsgedachten meer hebben, zou ik het puur voor mezelf al doen. Ik zou dan ook gelijk mijn andere psychische klachten uitschakelen. Bijkomend fijn dat ik dan niet meer voor stijgende zorgkosten zorg met het instellingsbed wat ik bezet houd.

Twaalf tips tegen eetbuien

Vanmiddag ging ik naar de stationswinkel hier in Wolfheze. Een verpleegkundige die nogal into gezonde voeding is, adviseerde me om geen snoep te halen. Gezond eten verkoopt men daar echter niet of is belachelijk duur. Ik wilde dus eerst alleen chips en tomatensoep kopen. Niet dat chips gezond is maar het is tenminste geen snoep. Uiteindelijk nam ik om die verpleegkundige een hak te zetten, ook een zakje snoepkersen mee (want kersen zijn fruit, dus gezond…). Nu zijn we net een paar uur verder en is alles behalve de tomatensoep allang weer op. Hallo eetbui. Om mezelf te motiveren tegen de eetbuien te vechten, zocht ik op internet naar tips tegen eetbuien. Vandaag deel ik een aantal tips die ik vond en tips die ik zelf als nuttig ervaar.

1. Denk in termen van wat mag, niet in termen van wat niet mag. Deze tip kwam ik tegen en vind ik heel mooi. Vaak word ik heel opstandig als iemand zegt dat ik beter niet kan snoepen. Dit zie je hierboven al: om de verpleegkundige die mij waarschuwde, te plagen, kocht ik snoep. Natuurlijk mag ik niet elke dag een zak chips leeg eten maar het is beter om hier niet op te focussen. Je kunt je in plaats daarvan focussen op het eten wat je wel elke dag mag eten.

2. Eet voldoende en regelmatig. Een crashdieet is geen oplossing voor een eetprobleem. Ook als je niet bewust aan het diëten bent, kun je toch te weinig eten. Ik had bijvoorbeeld voor de lunch vandaag maar één boterham gegeten, wat echt te weinig is.

3. Je kunt op elk moment van je leven beginnen met een gezonder eetpatroon. Als je een terugslag of zelfs volledige terugval hebt, betekent dit niet dat het “toch geen zin heeft” of “toch al verpest is”. Elke eetbui die je niet hebt, is er één minder.

4. Stel het uit. Een tip die ik ooit tegenkwam als advies om om te gaan met zucht naar verslavende middelen, is “urge surfing”. Het gaat er hierbij om niet te veel aandacht te besteden aan de zucht. Dat betekent niet dat het er niet is of mag zijn maar je moet het ook niet groter maken. Dit betekent ook: negeren in plaats van ertegen vechten. Uiteindelijk zul je misschien wel weer onweerstaanbare eetbuidrang krijgen maar hoe langer je het uitstelt, hoe beter.

5. Weeg jezelf niet (te vaak). Ik merk zelf dat, wat het getal op de weegschaal ook is, ik het altijd wel als een excuus kan zien om een eetbui te houden. Natuurlijk is het belangrijk dat je niet al te zwaar wordt maar dit kun je ook aan je kleding en conditie merken. Focus je trouwens niet op afvallen, want voor veel mensen met een eetprobleem is een focus op gewicht en afvallen een trigger.

6. Laat je gevoel er zijn. Vaak zijn eetbuien een manier om gevoelens te onderdrukken. Dan komen die gevoelens echter vaak dubbel zo hard terug.

7. Zoek een sport of bewegingsactiviteit die bij je past. Ik krijg vaak als tip om te gaan sporten i.p.v. eten. Goed bedoeld natuurlijk maar het moet wel bij je passen. Op de crosstrainer staan, houd ik misschien een kwartier vol en dan gebruik ik het weer als smoes om te mogen eten. Ik vind wandelen, yoga en oefeningen met de fitnessbal of weerstandband veel fijner, zeker als ik eetbuidrang heb. Als ik geen drang heb, wil ik best op die crosstrainer, want het is wel gezond. Het is echter nog beter om een activiteit te vinden die bij me past en die ik langere tijd kan volhouden. Ik zit al maanden na te denken om te gaan zwemmen maar durf dit niet te vragen. We hebben namelijk een zwembad op het instellingsterrein maar hiervoor moet je door je behandelaar worden aangemeld.

8. Zoek positieve, plezierige manieren van afleiding. Ik schreef dit oorspronkelijk als tip hierboven en begon toen over sporten. Veel mensen die aan eetbuien lijden, beleven echter geen plezier aan bewegen. Het is meer iets wat “moet”. Dat klopt ook wel (zoals ik hierboven zei) maar het geeft mij in elk geval niet de euforie die een eetbui geeft. Zoek dus activiteiten die je kunnen afleiden en die tenminste wel een positief gevoel geven. Het kan hierbij dus ook gaan om alleen maar muziek luisteren of een serie bingewatchen.

9. Vier al je overwinningen en besteed niet te veel aandacht aan je terugslagen. Er was een tijd dat ik bijna elke dag eetbuien had. Ik deed mee aan een topic op het forum van Proud2Bme om van eetbuien af te komen maar werd vaak niet gemotiveerd, omdat de teller elke keer weer op “nul dagen eetbuivrij” stond. In plaats daarvan ervaar ik dat het me meer helpt als ik uitgebreid stilsta bij de dagen dat ik eetbuivrij ben en niet te veel aandacht schenk aan mijn terugslagen. Dit betekent niet dat je een dag dat je een terugslag hebt maar gewoon voorbij moet laten gaan – anders was deze post een beetje hypocriet. Maar focus je op het positieve.

Het heeft ook geen zin om je uitgebreid schuldig te gaan voelen over een terugslag. Misschien heltp het je om de volgende keer beter na te denken voor je een eetbui hebt maar de kans is groot dat je jezelf vooral voedt met negativiteit.

10. Geniet van eten. Een kenmerk bij eetbuien is vaak dat je je eten achter elkaar naar binnen werkt zonder het zelfs maar te proeven. Daartegenover staat weer dat sommige mensen eten puur zien als brandstof en daarom niet durven te genieten van (al dan niet gezond) eten. Eetbuivrij zijn betekent niet dat je nooit meer iets lekkers mag maar je moet hier bewust voor kiezen en van genieten. Ook gezond eten mag trouwens lekker smaken, dus veprlicht je niet op een stengel bleekselderij te knagen als je dat niet lust.

11. Hoe om te gaan met eetbuivoedsel? Verschillende strategieën werken voor verschillende mensen. Voor veel mensen werkt het om de ergste binge foods niet in huis te halen. Dit betkeent geenszins dat het “verboden voedsel” is. Als je eenmaal goed naar je lichaam kunt luisteren en merkt dat je gewoon eens zin hebt in voedsel wat anders een binge food zou zijn, kun je dit halen en zonder schuldgevoel ervan genieten.

12. Heb geduld en wees aardig voor jezelf. Ook nu je nog niet (volledig) hersteld bent, ben je goed zoals je bent. Jezelf accepteren zoals je nu bent, is de eerste stap naar verandering.

Heb jij ook last van eetbuien? En zo ja, heb je nog tips om ervanaf te komen?

Psychisch ziek zijn en een kinderwens

Vorige week was het de week van de vruchtbaarheid. Vandaag las ik op Kinderwensbloggers.comover het voorstel om ook een dag van de kinderwens in te lassen. Dit vind ik heel mooi, want ongewilde kinderloosheid heeft niet per definitie met vruchtbaarheidsproblemen te maken. Ikzelf ben ongewenst kinderloos maar voor zover ik weet niet onvruchtbaar. Vandaag wil ik mijn verhaal delen. Ik heb al eens eerder op een oud blog geschreven over mijn moeilijke keuze om niet voor kinderen te gaan. Vandaag publiceer ik een ge-updatete versie van deze post.

Toen ik jong was, was ik er altijd van overtuigd dat ik later kinderen zou krijgen. Het was niet speciaal dat ik een moedergevoel had, maar ik kon me tegelijk niet voorstellen dat iemand niet van kinderen hield. Duh, ik was zelf kind, en wie hield er nou niet van mij? 😉 Bovendien: huisje, boompje, beestje en kindje, dat hoorde gewoon. Ik had nooit vriendjes en toch ging ik ervanuit dat ik later een gezin zou stichten.

Hier begon ik pas aan te twijfelen toen het psychisch minder goed met me ging na de middelbare school. Niet dat het op de middelbare school wel goed ging, maar ik dacht dat dit bij de puberteit hoorde. Pas toen ik op mijn 21ste in een psychiatrische crisis belandde, wist ik dat ik (een deel van) mijn dromen moest laten varen. Niet dat een kind toen hoog op mijn verlanglijstje stond, dus ik was er niet echt mee bezig. Dat kwam pas ongeveer drie jaar geleden.

Het krijgen van kinderen is niet iets waar je licht over moet denken, ook als je ogenschijnlijk geen problemen hebt. Als je een psychische ziekte hebt, is het echter een extra lastige beslissing.

Voor de duidelijkheid: ik vind niet dat een psychische ziekte of welke beperking dan ook per definitie betekent dat je geen kinderen zou mogen krijgen. Daarentegen is een kind geen recht, maar een verantwoordelijkheid. Hier moet je je bewust van zijn.

Er zijn verschillende redenen waarom het extra lastig kan zijn om voor kinderen te gaan als je een psychiatrische ziekte hebt. Zo kan het zijn dat je medicijnen moet slikken om stabiel te blijven. Veel van deze medicijnen kunnen schadelijk zijn voor het ongeboren kind. Verder kunnen een zwangerschap en de bijbehorende hormonale schommelingen, je problemen verergeren. Ben je van plan zwanger te worden, dan kun je voor advies over dit soort zaken je laten doorverwijzen naar een POP-poli (psychiatrie, obstetrie, pediatrie). Hier werken psychiaters, verloskundigen en kinderartsen samen om zwangere vrouwen en nieuwe moeders met psychische beperkingen te begeleiden. Je kunt bijvoorbeeld advies krijgen over welke medicatie niet schadelijk is voor je ongeboren kind.

Daarnaast is het belangrijk na te denken over het welzijn en de opvoeding van je eventuele toekomstige kind. Kun je een kind een veilig en geborgen thuis bieden? Heb je voldoende steun van familie, vrienden en eventueel professionals voor als je een mindere periode doormaakt?

Ik zit zelf langdurig opgenomen in de psychiatrie. Zolang ik opgenomen zit, is een kind krijgen uiteraard uitgesloten. Ik ben er echter 99% zeker van dat ik ook later geen kind zou kunnen opvoeden. Dit is een moeilijk gegeven, want ergens zou ik het wel willen kunnen.

Als je besluit dat voor jou een kind krijgen er niet in zit, is het belangrijk te bedenken waar je wel voldoening uit haalt, zeker als je altijd graag moeder hebt willen worden. Dit kan nog extra moeilijk zijn als je door je psychische beperking niet kunt werken en dus ook daar misschien een droom hebt moeten laten gaan. Bedenk dan waar jij toch tevreden over kunt zijn in je leven. Voor mij is dat bijvoorbeeld het feit dat ik goed kan schrijven.

Het kan ook helpen om steun te zoeken bij andere (ongewenst) kinderloze mensen. Ik vind het dan nog vaak moeilijk om me open te stellen, omdat ik bang ben voor vooroordelen. Ik heb immers een andere reden waarom ik geen kinderen zal krijgen dan de meeste ongewnest kinderloze mensen. Ik denk dan soms: “Het is toch mijn eigen keuze, waar doe ik moeilijk over?” Toch heb ik tot nu toe meestal wel begrip gekregen voor mijn situatie.

Diagnose: afhankelijke persoonlijkheidsstoornis

Afgelopen donderdag had ik een gesprek met mijn psycholoog. Ik had de week hiervoor behandelplanbespreking gehad, waar ikzelf niet bij was. Volgens mijn persoonlijk begeleider hadden mijn psycholoog en psychiater behoorlijk heen en weer zitten kissebissen over mijn diagnose. Uiteindelijk is er iets uitgekomen en donderdag deelde mijn psycholoog me dit mede. Ik heb nu als hoofddiagnose een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Vandaag vertel ik wat dit is en in hoeverre ik me hierin herken.

De afhankelijke persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door een diepgaande en buitensporige behoefte verzorgd te worden, wat leidt tot onderworpen en vastklampend gedrag, en de angst in de steek gelaten te worden, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:

  1. Kan moeilijk alledaagse beslissingen nemen zonder overdreven veel advies en geruststelling door anderen. Dit herken ik ergens wel bij mezelf. Vanaf de puberteit af aan liet ik vaak mijn klasgenoten bijvoorbeeld beslissen waar ik ging zitten in de pauze. Dit deed ik, omdat ik vond dat ik een last was voor anderen en dat zij dus mochten beslissen in hoeverre ik die last mocht zijn. Nog steeds laat ik anderen soms simpele beslissingen voor mij nemen. Aan de andere kant heb ik vaak moeite om situaties te overzien en kan ik daardoor moeilijk beslissingen nemen. Ik neem dan wel de beslissing maar heb toch veel aanwijzingen nodig bij het uitvoeren. Dit heeft niets te maken met een negatief zelfbeeld maar kan wel zo gezien worden.
  2. Heeft anderen nodig die de verantwoordelijkheid overnemen voor de meeste belangrijke gebieden van zijn leven. Ook dit herken ik ergens wel, zoals bij de beslissing om te gaan samenwonen met mijn man. Aan de andere kant merk ik ook dat er vaak niet naar mijn mening, als ik die dan eens uit, geluisterd wordt. “Jij wilde dit,” wordt me dan voor de voeten geworpen. Ik vecht vaak enorm voor de steun die ik (naar mijn mening) nodig heb. Dit leidt in mijn ogen tot een dubbele binding: als ik meega in andermans idee dat ik best bijvoorbeeld zelfstandig kan wonen, ben ik passief, terwijl als ik ertegenin ga, ik me vastklamp.
  3. Vindt het moeilijk een verschil van mening tegen anderen te uiten uit vrees steun of goedkeuring te verliezen. De realistische vrees voor straf wordt hier niet toe gerekend. Dit herken ik wel. Net als met het nemen van alledaagse beslissingen in het eerste criterium, heb ik het gevoel dat ik inherent een last ben voor anderen als ik meningsverschillen uit. Ik vind dit in bepaalde situaties erg moeilijk, zowel in mijn relatie als in mijn behandeling.
  4. Heeft moeilijkheden ergens alleen aan te beginnen of dingen alleen te doen (eerder als gevolg van een gebrek aan zelfvertrouwen in eigen oordeel of mogelijkheden dan uit gebrek aan motivatie of energie). Hierbij is wat tussen haakjes staat, naar mijn mening belangrijk. Ik heb heel veel moeite aan dingen te beginnen maar dit komt meer door een gebrek aan energie dan door een gebrek aan zelfvertrouwen. Mijn psych vindt wel dat ik aan dit criterium voldoe.
  5. Gaat tot het uiterste om verzorging en steun van anderen te krijgen, kan zelfs aanbieden vrijwillig dingen te doen die onplezierig zijn. Dit herkende ik in eerste instantie, toen mijn psycholoog me de criteria voorlas, niet. Ik dacht hierbij namelijk aan overduidelijk misbruik en dit maak ik op dit moment niet mee. Nu ik erover nadenk, realiseer ik me dat ik wel aan dit criterium voldoe, en hoe. Auw.
  6. Voelt zich onbehaaglijk of hulpeloos wanneer hij alleen is, vanwege de overmatige vrees niet in staat te zijn voor zichzelf te zorgen. Dit vond mijn psycholoog overduidelijk op mij van toepassing, omdat ik me vaak rot voel als ik een middag (of zelfs een uur) alleen thuis ben terwijl mijn man bijvoorbeeld op zijn werk is. Ik snap het ergens wel, want ik ben inderdaad vaak bang dat er iets gebeurt wat ik niet in mijn eentje kan oplossen.
  7. Zoekt hardnekkig naar een andere relatie als een bron van verzorging en steun als een intieme relatie tot een einde komt. Hier heb ik geen ervaring mee, want mijn huwelijk is ook mijn eerste relatie.
  8. Is op een onrealistische wijze gepreoccupeerd met de vrees aan zichzelf te worden overgelaten. Auw, ja. Ik ben bijvoorbeeld vaak gelijk bang als ik hoor dat de verpleging onderbezet is of een vergadering heeft.

Aan de ene kant kan ik dus wel zien dat ik aan de criteria voor deze stoornis voldoe. Aan de andere kant heb ik het idee dat het een smoes is om mijn beperkingen te kunnen ontkennen. Men heeft me namelijk een diagnose van ontwikkelingsstoornis NAO gegeven. Ik had hier nog nooit van gehoord en krijg ook bij googlen geen duidelijkheid over wat het is. Omdat dit zo vaag is, kan men bij mijn vervolgbehandeling gemakkelijk negeren dat ik beperkingen heb die voortkomen uit overbelasting/overprikkeling.

Mijn weg naar hulp voor psychische klachten: eerder is beter?

Vandaag is het de landelijke dag psychische gezondheid. Internaitonaal is 10 oktober ook World Mental Health Day, dus het is niet vreemd dat dit in Nederland is overgenomen. Dit jaar staat de dag in het teken van psychische gezondheid en psychische klachten bij jongeren. Volgens Fonds Psychische Gezondheid ontstaat 75% van de ernsitge psychische problemen voor je 25ste. “Eerder is beter,” is dan ook de slogan voor dit jaar.

Zoals mensen die niet nu voor het eerst op mijn blog komen wel weten, heb ik ook psychische klachten. Ik ben zelf op mijn 20ste voor het eerst met de GGZ in aanraking gekomen. Vandaag wil ik jullie vertellen hoe mijn weg naar hulp verliep.

Eén van de grootste problemen die ik ervaren heb bij het vinden van hulp, is het feit dat ik niet om hulp durfde te vragen en niet wist waar ik terecht kon. Ik wist wel dat ik via de huisarts een verwijzing moest vragen maar ik wist niet wat ik dan moest zeggen. Het stigma rond psychische klachten speelt hier erg in mee. Ik wilde bijvoorbeeld niet met een vermoeden van een bepaalde stoornis naar de huisarts, hoewel ik wel zo’n vermoeden had. Ik had namelijk vanaf mijn zestiende ongeveer het idee dat ik wellicht iets in het autistisch spectrum kon hebben. Maarja, Asperger was “hot” in die tijd (2003), omdat een bekende psychiater dacht dat Volkert van der Graaf dit had. Bovendien had ik het al dan niet terechte idee dat toegeven dat ik problemen had, betekende dat ik niet meer op mijn gewone school mocht blijven. Ik weet niet of ik nou echt zo gemotiveerd was voor dat gymnasiumdiploma maar mijn ouders wel en ik wilde hen niet teleurstellen.

Uiteindelijk ben ik dus op mijn 20ste pas hulp gaan zoeken. Dit ging niet vanzelf. Ik werd hier min of meer door de begeleiding van het traingshuis voor gehandicapten, waar ik woonde, toe gedwongen. Ze hadden al een afspraak bij GGnet voor me staan toen ik nog naar de huisarts moest. Het was toen ook niet ik die dacht een probleem te hebben. Nou ja, ik wist wel dat het niet normaal was hoe ik me voelde en gedroeg maar ik dacht nog steeds dat psychische hulp zoeken betekende dat ik zwak was.

Bij de huisarts en ook bij de arts-assistent psychiatrie klapte ik volledig dicht. Dit was dan ook wat de huisarts opschreef in zijn verwijsbrief. Het was in die tijd nog niet nodig dat de huisarts alvast inschatte of er sprake was van een DSM-diagnose, zoals nu wel het geval is.

Toen ik op 2 februari 2007 voor het eerst van mijn leven tegenover een heuse psychiater kwam te zitten, vond ik dit wel heel eng. Ik stelde me voor hoe ik nu voor mijn leven voor gek werd verklaard, in een inrichting belandde en binnen de korste keren in de isoleer lag. Achteraf gezien zat ik hier niet eens zo ver naast maar dat lag niet aan die afspraak op 2 februari. Negen maanden later, op 2 november 2007, zat ik volledig doorgeflipt op he tpolitiebureau. OP 1 februari 2008 werd ik voor het eerst opgesloten in de afzondering.

Misschien, dnek ik soms, had ik inderdaad langer moeten doorzetten en klopt “eerder is beter” dus helemaal niet. Mijn voorspellingen dat ik mijn studie niet zou kunnen afronden, dat ik in een “inrichtng” en de separeer zou belanden, zijn immers best wel erg uitgekomen. In die zin is er in 2007 best wel een beerput opengegaan toen ik eenmaal hulp zocht.

Aan de andere kant is autisme een stoornis die op de kinderleeftijd ontstaat en kreeg ik al vanaf ongeveer mijn tiende andere zware psychische klachten. We zullen nooit weten of mijn leven er anders uit had gezien als mijn ouders in die tijd al hulp voor mij hadden gezocht en zo ja, of dat dan beter of slechter zou zijn.

Ik wil wel één ding heel duidelijk maken: een psychische ziekte is een stoornis, geen keuze. Beter worden is ook niet altijd een keuze. Herstel wel.

Gekke gewoontes, angsten en gedachten die ik als kind had

Vanochtend schreef Kim een post over gekke gewoontes en gedachten die ze als kind had. Sommige zijn best herkenbaar. Ook ik was een behoorlijk angstig kind en had veel “magische” denksprongetjes. Ik nam ook veel letterlijk, zoals ik al schreef in mijn post over grappige taalmisverstanden. Vandaag deel ik een aantal gekke gewoontes en gedachten die ik vroeger had met jullie.

1. Lepra. Toen ik jong was, was er veel aandacht in de media voor lepra en de Leprastichting. Ik hoorde dus dat als je lepra had, je vingers en tenen gevoelloos werden en er daarna afvielen. Ik was altijd al bang voor enge ziektes en lepra stond daar wel bovenaan, dus telde ik mijn vingers en tenen ’s nachts na. Soms deed ik dit wel tien keer op een nacht.

2. Spiritus. Mijn ouders vertelden me dat je blind kon worden als je spiritus dronk, vanwege de methanol die erin zit. Daarom had spiritus een blauwe kleur als waarschuwing. Ik was dus doodsbang als mijn ouders spiritus gebruikten als schoonmaakmiddel. Als ze hier iets mee hadden schoongemaakt, durfde ik dat niet aan te raken, omdat ik bang was dat ik dan per ongeluk mijn vingers zou aflikken en spiritus binnenkrijgen.

Maar het werd nog gekker. Ik haalde me op een gegeven moment in mijn hoofd dat er spiritus uit de kraan kon komen. Ik keek dus altijd of het water blauw was. Zo niet, dan was het veilig.

Ik was overigens echt speciaal bang om blind te worden door spiritus. Toen ik ooit over een cobra hoorde die gif kon spuwen waar je blind van wordt, was ik ook bang hiervoor. Natuurlijk was de kans veel groter dat ik door mijn oogaandoening blind werd dan door spiritus te drinken of een cobra tegen te komen.

Later, nog maar een paar jaar geleden, kwam het idee van gif uit de kraan opnieuw in me op. Ik hoorde toen over iemand die zijn ex met zwavelzuur had overgoten. Die vrouw voelde zich altijd alsof ze onder een te hete douche stond door de brandwonden. Nou douche ik vrij heet, dus haalde ik me in mijn hoofd dat er zwavelzuur uit de douche kwam.

3. Toekomst voorspellen. Ik had toen ik een jaar of twaalf was een glazen ovaaltje. Ik denk dat het ding ooit bedoeld was als versierng voor in een aquarium of zo. Dit steentje had een bolle en een platte kant en ik meende dat ik hiermee de toekomst kon voorspeleln. Als de bolle kant boven kwam, was het antwoord “Ja”, terwijl de platte kant “Nee” betekende. Natuurlijk zijn er verschillen tussen de twee kanten, waarbij de ene kant meer kans maakt om boven te omen dan de andere.

Overigens had ik in diezelfde tijd de gedache dat ik met mandarijnen wensen kon doen. Als ik de schil er in één keer af kreeg, mocht ik iets wensen. Het aantal partjes bepaalde hoe groot de kans was dat mijn wens uit zou komen. En dan was er nog iets met als er pitjes in zaten maar dat weet ik al niet meer. Deze is overigens helemaal niet zo origineel, want veel mensen hebben volgens mij dit bijgeloof met sinaasappels.

4. Bolbliksem. Ooit hoorde ik van iemand dat ze bij diegene thuis bolbliksem hadden. Er was een vuurbal door een keukenraampje naar binnen gevlogen. Of ik het verkeerd begrepen heb of dat diegene maar een verhaal zat op te dissen, weet ik niet. IK was altijd superbang voor onweer en weet nog steeds niet 100% zeker dat een bliksemschicht niet door een keukenraam kan komen.

5. Tellen. Ik denk niet dat dit heel raar is maar ik telde echt alles. Zo stond ik op een gegeven moment op de middelbare school “gewoon” de steentjes van een muurtje te tellen. Mijn vader, die op mijn school werkte, vond me er somber uitzien en werd boos omdat ik me raar gedroeg.

Mij vallen wel vaak patronen op en ik probeer symmetrie in dingen te vinden. Vind het bijvoorbeeld nog steeds jammer dat de drinkglazen bij mijn favoriete restaurant negen vlakjes hebbn.

Heb of had jij ook vreemde gewoontes, angsten of gedachten?

Leven zonder diagnose

Sinds gisteren heb ik een officiële “geen idee”-status wat betreft psychiatrische diagnoses. Ik had altijd de diagnose autisme. Daarbij kwamen nog wel wat andere stickertjes die al dan niet klopten. Stoornis in de impulsbeheersing NAO, dissociatieve identiteitsstoornsi, PTSS, borderline, … Wat echter bleef staan, was de diagnose autisme.

Nu weet ik sindds iets van anderhalve maand dat mijn psycholoog die eraf wilde halen omdat ik een hersenbloeding met waterhoofd tot gevolg heb gehad als baby en je volgens haar dan geen autisme mag vaststellen. Toen ik inderdaad bevestigd kreeg dat ze mijn DSM-classificatie had aangepast in alleen borderline, besloot ik de patiëntenvertrouwenspersoon in te schakelen. Die adviseerde me een second opinion aan te vragen. Was mijn psych niet blij mee en die begon een beetje te onderhandelen met diagnoses. Ze consulteerde de psychiater van de hersenletselafdeling, die haar gelijk gaf dat autisme en hersenletsel niet samengaan. Gelukkig hoef ik in dat geval ook niet opgescheept te zitten met een borderlinediagnose, want dat kon ook niet samen met hersenletsel volgens diegene. Resultaat is wel dat, tenzij of totdat ik een second opinion heb gehad, ik nu opgescheept zit met een diagnose waar ik de ballen van snap.

Dit heeft toch meer impact dan ik zou denken. In eerste instantie dacht ik dat ik het wel best zou vinden als ik maar de goede zorg kan krijgen wanneer ik met ontslag ga uit de kliniek. Toch raakt het me op een veel dieper niveau: wie ben ik nog als ik geen autist meer ben?

Nu krijg ik vast een stortvloed aan kritiek over me heen omdat ik mezelf “autist” noem. Ik weet wel dat ik meer ben dan autistisch alleen. In Amerika is het echter gebruikelijk dat autisten zichzelf “autist” noemen om aan te geven dat autisme een significant deel uitmaakt van hun identiteit. Daar wordt in Nederland raar tegenaan gekeken, want welke gek identificeert zich nou met een stoornis? Autist-zijn wordt echter niet als ziekte gezien maar als een neurologische staat van zijn. Of ik het daarmee eens ben, is een tweede. Het is wel zo dat ik mezelf begrijp en weet wat voor mij werkt aan de hand van concrete “stickertjes” en autisme was daar negen jaar lang de belangrijkste van.

Natuurlijk, ik ben echtgenote, bediende van de kat, blogger, zeepmaker, etc. Wat ik bedoel is dat ik zonder diagnose geen steun kan vinden bij mensen die mijn ervaringen echt begrijpen. Het gaat er mij niet eens om dat ik uit sommige steungroepen weg moet als ik geen second opinion aanvraag, omdat ik dan “ineens” geen autist meer ben. (Wat dat betreft erger ik me meer aan alle speculaties à la borderliner-die-jarenlang-autisme-heeft-gefaked, maargoed.) Ik ben immers lid van ruim 1500 groepen op Facebook en spaar door de diagnostische onduidelijkheid bijna etiketjes om als zoekterm in te voeren. Waar ik meer van baal, is dat ik altijd nog wel twee of drie mensen kende met mijn combinatie van problemen. Ik ben ook nog blind, dus dat maakt het lastig maar in elk geval waren er wel mensen die ook blind en autistisch zijn. Nu voel ik me niet meer volledig thuis in het “hokje” autisme, ook al willen sommige groepen me nog wel hebben. Tegelijk pas ik ook niet in het “hokje” hersenletsel, omdat dat bijna per definitie niet-aangeboren is. Nu wordt het wel erg lastig (h)erkenning vinden.

Ik heb nog niet besloten of ik die second opinion aanga. Of dat meer duidelijkheid zal geven, is namelijk de vraag en dat is toch waar ik, naast goede zorg, naar op zoek ben.

Herstel in de GGZ

Afgelopen maandag kwam de ergotherapeut van de psychiatrische instelling waar ik verblijf bij me langs. We zijn ooit, een paar maanden geleden, begonnen met ergotherapie zodat ik kon leren bijvoorbeeld mijn eigen brood te smeren, drinken inschenken, etc. Dit is deels gelukt maar het blijft voor mij erg moeilijk. Sinds een paar weken hebben we de puur praktische training losgelaten en zijn we gaan kijken wat ik nodig heb om me als ik straks thuis ben redelijk te kunnen redden en hoe ik dit communiceer. Maandag kwam de ergotherapeut in dit kader met een folder over herstel in de GGZ. Ik heb hier al ervaring mee gehad, want in 2010 heb ik deelgenomen aan de eerste herstelgrep in Nijmegen. Vandaag wil ik met jullie delen wat herstel is en hoe als je het mij vraagt elke psychiatrische patiënt hieraan kan werken.

Ik zit al bijna negen jaar klinisch opgenomen in de psychiatrie. Ik heb in die tijd al wel het één en ander bereikt maar ben absoluut niet “genezen” van mijn psychische kwetsbaarheid. In mijn geval is dit waarschijnlijk ook niet mogelijk. Ik wil hiermee niet zeggen dat dit voor iedereen geldt: van sommige psychische stoornissen kun je prima genezen. Volgens Arnhild Lauveng, in haar boek Morgen ben ik een leeuw heeft zelfs één op de drie mensen met schizofrenie uiteindeijk geen last meer van deze ziekte. Dit terwijl schizofrenie toch als één van de meest ernstige psychiatrische ziektes wordt gezien. Bij bijvoorbeeld een éénmalige depressie is het genezingspercentage hoger.

Bij herstel gaat het echter niet om genezing maar om het (her)vinden van een zinvol leven. Zelfs als je elke dag last hebt van je psychische kwetsbaarheid, kun je een zinvol leven hebben. Ooit heb ik een scriptie gelezen over vraaggerichte zorg voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking. Nou is een psychiatrische zietke iets anders maar ook daar geldt dat je altijd wel iets van je leven kunt maken, al is het dag bij dag. Het gaat erom dat je je bewust bent van je kwetsbaarheden en talenten en hiervan gebruik maakt bij het bereiken van je eigen persoonlijke doelen.

Op één van de websites over herstelondersteuning las ik net dat men in een bepaald, zogenaamd herstelgericht gebouw van een GGZ-instelling helemaal geen gebruik maakt van de facilitaire diensten van de instelling. Dit betekent dus dat men zelf schoonmaakt en de boel onderhoudt. Prima hoor maar ik ergerde me eraan dat dit als herstel wordt gezien. Je hoeft niet onafhankelijk van hulp te zijn om hersteld te zijn. Bij herstel gaat het erom dat je je eigen doelen in het leven bepaalt. Iedereen is immers voor bepaalde zaken afhankelijk van anderen. Ik ken weinig mensen die bijvoorbeeld altijd hun eigen haar knippen of kleding maken, laat staan hun eigen vee slachten voor het avondeten.

Ik zei al dat ik in 2010 meedeed aan een herstelgroep in Nijmegen. Een herstelgroep is een praatgroep waarbij cliënten, onder supervisie van twee ervaringsdeskundige medecliënten, hun herstelverhaal delen aan de hand van verschillende thema’s. De herstelgroep waar ik aan deelnam, bestond uitgezonderd de ervaringsdeskundigen, alleen uit klinisch opgenomen patiënten. Ik stond in die tijd op de wachtlijst voor een woon-werkvoorziening voor autisten. Dit is een intensieve vorm van beschermd wonen bij een GGZ-instelling. Bepaald niet het toppunt van zelfstandigheid maar ik wilde dit graag. Was ik dan niet bezig met herstel, omdat ik veel begeleiding nodig had? Ik vind toch van wel.