Interessante medische weetjes

Gisteren schreef Hanne een interessante post met gekke biologieweetjes. De meeste kende ik al. Ik kon helaas niet reageren, dus deel ik op mijn eigen blog een aantal weetjes die ik ken.

1. Hanne schrijft dat je doodgaat als je niet droomt. Wist je dat het omgekeerde ook waar is? Er is een ziekte, familiaire fatale insomnia, waarbij mensen niet meer kunnen slapen. Dat wil zeggen, alle slaap behalve de REM-slaap verdwijnt. REM-slaap is het deel van de slaap waarin je droomt. Die mensen dromen zichzelf dus letterlijk dood. Voordat je doodgaat aan deze ziekte, krijg je trouwens allerlei enge psychische verschijnselen, zoals hallucinaties. Niet leuk.

2. Nog één over slaap. De “slaapziekte” kan verwijzen naar twee totaal verschillende ziektes. De Afrikaanse slaapziekte (waar dan weer twee ondersoorten van zijn) is een door de tseetseevlieg verspreide infectieziekte. Afhankelijk van de ondersoort leidt deze ziekte, als deze niet behandeld wordt, binnen enkele maanden tot enkele jaren tot de dood. De andere, minder offciële “slaapziekte” is encefalitis lethargica, een virale infectie van de hersenen. Oliver Sacks schreef hier het later verfilmde boek Awakenings over. De mensen die Sacks behandelde, leefden al veertig jaar met deze ziekte toen hij ze in 1969 een nieuw medicijn gaf.

3. Op het eiland Pingelap in de stille oceaan is bijna 10% van de bevolking volledig kleurenblind (en hierdoor ook slechtziend). Achromatopsie of volledige kleurenblindheid is een recessief overervende aandoening, waarbij dus beide ouders drager moeten zijn om het kind de aandoening te geven. De oorsrpong van de genetische belasting gaat terug tot 1775. Toen doodde een tyfoon bijna de hele bevolking van het eiland. De toenmalige heerser van het eiland was waarschijnlijk drager van het gen. Door inteelt werd een steeds groter aantal mensen drager of kreeg de aandoening.

Dichter bij huis komen inteeltziektes overigens ook voor. Eén op de zeven Volendammers is bijvoorbeeld drager van de ziekte PCH-2. Eén op de 250 kinderen uit Volendam krijgt deze ernstige ziekte, terwijl die in de rest van Nederland maar bij één op de 180.000 voorkomt. Een andere inteeltziekte is de ziekte van Van Buchem. Er zijn maar ongeveer 35 mensen met deze ziekte bekend en die hebben allemaal hun wortels op Urk.

4. Mensen die door bijvoorbeeld een beroerte een beschadiging krijgen in een deel van de pariëtale kwab in de rechterhersenhelft, hebben geen idee meer van de linkerkant van hun lichaam of überhaupt de linkerkant van de wereld om hen heen. Dit heet linkszijdig hemineglect (rechtszijdig kn het in theorie ook voorkomen maar gebeurt nauwelijks). In lichte vormen komt het ook voor, dat mensen veel minder aandacht besteden aan de linkerkant van hun lichaam of de linkerhelft van bijvoorbeeld hun bord eten. Ik heb hier zelf mogelijk in lichte mate last van. Oliver Sacks beschreef echter in zijn boek The man who mistook his wife for a hat een voorbeeld van een vrouw die überhaupt geen idee meer had dat er zoiets als links bestond. Als ze bijvoorbeeld at, at ze maar alleen de rechterhelft van haar bord leeg. Vermoedde ze dat er nog meer lag, dan draaide ze haar rolstoel bijna 360 graden rechtsom tot ze bij de linkerhelft van haar eten kon, waar ze dan weer alleen het rechter deel van opat.

Weet jij nog interessante medische feiten?

“Klik, beet!” en andere grappige taalmisverstanden

In de Margriet (ja, die lees ik) kom ik regelmatig kindertaal tegen. Lezeressen zenden de mooie uitspraken van hun kinderen in. Ikzelf had ook van dat soort uitspraken. Veel ervan hebben te maken met het feit dat ik soms dingen te letterlijk neem. Vandaag deel ik een aantal taalgerelateerde misvattingen die ik had of heb.

1. “Wil ik even melk pakken?” Mijn vader weigerde babytaal, in de trant van “papa zal even melk inschenken” tegen mij te praten. Hij zei dus: “Ik zal even melk inschenken.” Logisch dus dat ik dacht dat “ik” synoniem was met “papa”. IK vroeg dus aan hem, als ik melk wilde, of “ik” even melk wilde pakken. Volgens het verhaal reageerde mijn vader met: “Ga je gang.” Ik leerde vrij snel en volgens mijn vader heb ik deze omdraaiing van persoonlijke voornaamwoorden echt maar heel kort volgehouden.

2. Varkensvlees. “Eten varkens ook varkensvlees?” vroeg ik aan mijn vader. “Nee,” zei hij, “varkensvlees ís varken.” Toch bijzonder dat ik niet gelijk gruwde en op mijn tweede vegetariër werd.

3. Cirkelzaag. Hoe het echt zit, snap ik nog steeds niet helemaal. Ik was tot een paar jaar geleden in de vaste overtuiging dat cirkelzagen ervoor dienen om cirkels te zagen. “En lintzagen zagen zeker linten,” grapte mijn vader. Ook bij de lintzaag weet ik niet hoe het echt zit, want een zaag die er als een lint uitziet, kan ik me niet voorstellen.

4. Niet-geëlektrificeerd spoor. Ik had, toen ik nog niet zo lang opgenomen was, rare redenen om ergens niet beschermd te gaan wonen. Meestal gaf toch wel een reden die ik nu nog wel begrij de doorslag. Ik had echter op een gegeven moment de mogelijkheid om ergens te gaan wonen, waar de spoorlijn langs die plaats niet geëlektrificeerd was. Ik was van het OV afhankelijk en weigerde dus ergens te gaan wonen waar ht spoor niet geëlektrificeerd was. Ik dacht namelijk serieus dat er dan stoomtreinen reden. Niet dat ik nog nooit met dieseltreinen gereden had. Ik weet eigenlijk niet waar deze rare kronkel op dat moment vandaan kwam.

5. “Klik, beet!” Ik had tot ongeveer een jaar geleden nog nooit van click-bait gehoord. Gek eigenlijk, als je bedenkt dat ik al jaren blog. Click-bait is zo’n titel van een artikel waar niet duidelijk wordt waar de inhoud over gaat maar die je probeert te lokken door te klikken. Ik moet dus steevast aan “Klik, beet!” denken. Ik heb net even opgezocht wat “bait” eigenlijk betekent en de gedachte is dus niet zo gek.

6. Het regent pijpestelen. Toen ik mijn diagnostisch onderzoek naar autise kreeg, was één van de vragen of ik moeite heb spreekwoorden en gezegdes te begrijpen. IK dacht van niet. De diagnosticus noemde ook dat sommige mensen bij bijvoorbeeld “het regent pijpestelen” wel weten wat het betekent maar zich dan nog die pijpestelen voorstellen. Ik niet hoor. Ik heb namelijk geen idee wat pijpestelen zijn. Bj andere gezegdes heb ik het soms wel.

Wat voor rare interpretaties van onze taal maakte jij vroeger of maak je nog steeds?

Mijn plannen voor de zomer

Al lijkt het weer er vandaag niet naar, het is alweer bijna officieel zomer. Ik houd echt van de zomer: het mooie weer (behalve vandaag dus), het feit dat het lang licht is en ik korte kleding kan dragen… heerlijk! We gaan zoals het er nu voorstaat, niet op vakantie. Nou gaan we lang niet altijd in de zomer op vakantie en bedenken we een tripje ook vaak spontaan een paar dagen tevoren. Omdat ik dus eigenlijk deze zomer al bij mijn man in zou trekken, neem ik niet aan dat mijn man wilde plannen heeft. ONze trouwdag is pas half september, dus dan zullen we misschien wel een paar dagen weggaan. Ondanks het feit dat we dus niet op vakantie gaan, heb ik genoeg plannen voor de zomer. Vandaag deel ik mijn zomerse bucketlist met jullie.

1. Zwemmen. Deze week is de zwemvierdaagse, dus dit item kan ik al gelijk afstrepen. Een medepatiënt, met wie ik vaker ga zwemmen, had me op het idee gebracht. Zij doet ook mee. Ik doe de 100 meter, want ik heb niet echt een goede conditie. Inmiddels zitten er alweer drie dagen op. Je kunt bij ons in het instellingszwembad vijf dagen meedoen, waarvan je er vier moet zwemmen om een medaille te krijgen. Ik kan me niet herinneren dat dat in het zwembad waar mijn zus ooit de zwemvierdaagse deed, ook zo was.

Ik hoop natuurlijk nog vaker te gaan zwemmen deze zomer. Ik had mijn man voorgesteld om rond mijn verjaardag een keer te gaan zwemmen. Toen stelde hij voor om naar Den Helder te gaan. Niet dat we in Noord-Holland wonen; we wonen in de gemeente Bronckhorst in de Achterhoek. Den Helder is echter het zwembad in Doesburg, de dichtstbijzijnde stad bij ons dorp. Nou ben ik opgegroeid in Apeldoorn, een stad zonder stadsrechten met 150.000 inwoners. Ik blijf het dus raar vinden Doesburg, met 11.000 inwoners, een stad te noemen. Het heeft dus wel een zwembad.

2. Wandelen. Toen mijn man en ik nog in Doorwerth woonden, wandelden we een aantal meer van ons appartement naar de instelling waar ik verblijf in Wolfheze. Nu we in de Achterhoek wonen, is dat een beetje ver. We wandelen op zich nog wel regelmatig maar geen “langere” afstanden meer. Ik zet dat tussen aanhalingstekns, want het was vier kilometer. Ik zei toch dat ik een slechte conditie had? Ik hoop toch deze zomer weer eens een langere wandeling te maken. We wonen nu dichter bij Dieren, waar mijn man me toen we net een relatie hadden, wel eens van de trein kwam halen om op de Veluwe te wandelen. Ik heb nu al zin in pannenkoeken bij de Carolinahoeve.

3. Lezen. Sinds dit weekend heb ik een abonnement bij Bookshare, een Amerikaanse bibliotheekachtige site voor visueel gehandicapten en anderen met een leesbeperking. Je kunt hier boeken in DAISY-formaat downloden. DAISY is een voor leesgehandicapten toegankelijk formaat voor boeken en ander leesvoer, waarbij tegelijk het leesvoer tegen kopiëren is beschermd. Ik kende DAISY-boeken alleen als door een mens ingesproken cd’s met kopieerbeveiliging. De boeken van Bookshare kun je echter ook lezen met een leesprogramma wat met een brailleleesregel werkt, waardoor de tekst omgezet wordt in Braille. Vind ik veel fijner, want ik erger me nogal eens aan de voorlezers van sommige Nederlandse DAISY-boeken. Bovendien heeft Passend Lezen maar een zeer beperkt aantal Engelstalige boeken.

Nou kon ik gewone eBooks al redelijk goed lezen maar de boeken van BOokshare lezen nog wel best wat fijner. Bovendien is $75 voor een jaarabonnement een stuk goedkoper dan wanneer ik alle eBooks die ik wil lezen, zou moeten kopen. Ik geef onmiddellijk toe dat ik daar heel blij mee ben. Kreeg ik net vandaag een aanbieding van Kobo voor 25% korting op mijn volgende eBook! Dan nog.

Ik ben dus dit weekend al gelijk in enkele boeken begonnen. Ik las toevallig gisteren op een ander blog iets over één van die boeken, Het tere kind van Jodi Picoult. Ik lees dit uiteraard in de oorspronkelijke Engelstalige versie. Ik hoop deze zomer nog minstens vier andere boeken die al lang op mijn leeslijst staan, te lezen.

4. Schrijven. Ik ben niet heel erg geïnspireerd wat schrijven betreft de laatste tijd. Nou heb ik dat vaker als ik weer eens met een nieuw project begin, in dit geval dit blog. Dan verlies ik vaak gauw mijn motivatie. Ik hoop echt dat ik het deze keer volhoud, want het is wel mijn ervaring dat hoe langer ik met een blog of zo bezig ben, hoe makkelijker het wordt. Ik hoop dus dit blog echt van de grond te tillen deze zomer en tegelijk mijn Engelstalige blog niet te verwaarlozen.

Wat zijn jouw plannen voor de zomer?

Hoe ik een problematische relatie met eten kreeg

Vorige week schreef Yvette een post over haar relatie met voeding. Hierin beschreef ze hoe ze bewust omgaat met eten. Ik was dinsdag al begonnen aan een stuk over mijn eigen relatie tot eten, die een stuk minder gezond is. Ik twijfelde toen echter nog of ik dit met naam en toenaam op mijn blog zou zetten. Toen ik er echter achterkwam dat mijn zeer persoonlijke, Engesltalige blog bijna bovenaan in Google staat als je mijn naam intypt, besloot ik er schijt aan te hebben. Dat ik een moeilijke relatie met eten heb, mag iedereen weten.

ik was als kind niet eens een extreem moeilijke eter. Mijn man klaagt nu wel eens dat ik wel heel weinig lust maar ik kan me niet herinneren dat ik veel minder lustte dan mijn zus. Mijn ouders waren heel makkelijk met eten en zetten er weinig druk op dat we iets moesten eten wat we niet lustten. Ze maakten ook best vaak apart eten voor één van ons, nou ja een deel van het eten dan. Zo kreeg ik rauwe zuurkool als we zuurkoolstamppot aten, want dat lustte ik wel.

Ik was ook als kind niet iemand die exxtreem veel snoepte. Ik herinner me wel dat ik vrij veel snoep pikte van mijn ouders en dat ook wel meer deed dan mijn zus. Ik had echter toen nog niet echt eetbuien of ander overduidelijk eetgestoord gedrag. Toen ik tien werd, kreeg ik bijvoorbeeld een kleine hoeveelheid dropjes voor mijn verjaardag – en ik bedoel echt tien dropjes of zo. Daar heb ik echt dagen mee gedaan. Of dat een uitzondering was, weet ik echter niet, want ik was wel al vroeg iemand die veel snoep wilde hebben.

Toen ik naar de middelbare school ging, vooral op het gymnasium, liep het wel de spuigaten uit met snoepen. Dit is eigenlijk in vrij korte tijd vrij snel gegaan. Toen ik nog in de brugklas van het speciaal onderwijs zat, at ik keurig mijn brood op en kocht ook niet meer dan één candybar per dag en dat lang niet elke dag. In de eerste van het gymnasium herinner ik me dat ik een keer vijf Marsrepen uit de automaat trok en ze achter elkaar opat. Mijn klasgenoten zeiden er wat van maar ik luisterde niet. Dit was waarschijnlijk de eerste keer of de enige keer dat mijn klasgenoten er wat van zeiden, dat ik het daarom onthouden heb. Het was zeker niet de laatste keer.

Ergens besefte ik wel dat het niet normaal was. Ik heb in die tijd kort een eetdagboekje bijgehouden en noteerde daarin keurig alle candybars, saucijzenbroodjes en chips die ik naar binnen werkte. Ik voelde me ook schuldig maar deed er niks mee. Op een gegeven moment las ik in een jongerentijdschrijft over de BMI en ik berekende de mijne. Die was toen voor een jongere volgens mij al op het randje van overgewicht maar dat realiseerde ik me niet, omdat het tijdschrift de norm voor volwassenen nam.

Ik las in datzelfde tijdschrijft in ongeveer dezelfde tijd over anorexia en meiden die hiervoor opgenomen werden. Ik weet niet waarom maar het trok me enorm. Heel stom natuurlijk, want niemand wil echt een eetstoornis. Het was ook niet dat ik dun wilde zijn maar meer dat ik iets wilde hebben waarin ik mijn gevoel kon uiten. Misschien zelfs wel iets waarmee ik kon laten zien dat het niet goed ging.

Als eetgestoorde faalde ik gigantisch. Ik kon niet eens lijnen, laat staan dat ik voor anorexiapatiënt door kon gaan. Gelukkig hield ik ongezond compenseergedrag zoals braken ook niet lang vol. Ik at echter wel grote hoeveelheden snoep. Als ik op zaterdag naar de winkel ging, kocht ik twee grote zakken snoep en at die in een uur tijd allebei leeg. Dat dit net zo goed een eetprobleem is, kwam niet in me op. Op school leerden we ook alleen over anorexia en boulimia. Godzijdank was mijn gedachte dat ik een eetstoornis “wilde” alweer over toen ik internettoegang kreeg, anders was ik ongetwijfeld veel verder van huis geweest door de pro-anasites.

Toen ik volwassen werd, werden de echte eetbuien vanzelf minder. Ik overat nog wel maar niet meer in extreme mate. Toch bleven de dwangmatige gedachten over eten wel een rol spelen. Uiteindelijk liep dit rond mijn 23ste toch weer uit de hand en werd het overeten erger. Sindsdien ben ik nooit meer langer dan een week eetbuivrij geweest. In die tijd heb ik ook ongeveer een halfjaar meerdere keren per week gebraakt. Hier stopte ik echter uiteindelijk weer mee, om het zo nu en dan weer op te pakken. Helemaal vrij van ongezond compenseergedrag ben ik nooit meer voor een lange tijd geweest.

Toch zijn nu voor mij de eetbuien schadelijker: ik zit inmiddels qua gewicht behoorlijk ver in het gebied “obesitas”. Helaas leren we nog steeds dat overeten gewoon onwil om maat te hoduen is, i.p.v. een serieus psychisch probleem. Ik heb nog steeds het idiote idee dat ik een falende eetgestoorde ben, terwijl ik me juist zou moeten focussen op mijn herstel.

Studeren met een psychische ziekte

Gisteren vertelden een paar mensen in een Facebookgroep voor bloggers dat ze aan het “blokken” waren. Ik dacht eerst dat het een typefout was en ze “bloggen” bedoelden. Dat bleek niet het geval. De bloggers waren toevallig ook student en blokten voor hun tentamens. Het is bij mij alweer zo’n 8 1/2 jaar geleden dat ik een tentamen had. Ik weet het og precies, want het was drie dagen voor mijn opname in de psychiatrie. Vandaag wil ik vertellen welke invloed een psychische ziekte kan hebben op je studie.

Ik was op de basisschool en middelbare school altijd een goede leerling. Als ik mijn best deed tenminste. Op de middelbare school was ik regelmatig vrij somber en deed dan minder aan school. In de derde klas heb ik zelfs een halfjaar bijna niks uitgevoerd, waardoor ik maar met de hakken over de sloto over ging. Nou wil ik niet alles aan mijn psychische ziekte wijten en speelde puberale luiheid vast ook gewoon een rol. Toch was het voor mij door mijn sombere stemming extra moeilijk om me tot studeren te zetten.

Het omgekeerde kan ook voorkomen: dat je je door je psychische stoornis juist te veel op je studie stort. Je op je studie richten als afleiding van je sombere of angstige gedachtes is natuurlijk niet erg, zeker niet als het werkt. Sommige mensen richten zich echter zo extreem op hun studie, dat ze erdoor overbelast raken. Op de universiteit heb ik voor het tentamen wat ik net noemde, nog een 8,5 gehaald.

Het kan ook zijn dat je door perfectionisme nooit tevreden bent met je studieresultaat. Een beetje perfectionisme kan motiverend werken. Als je perfectionisme echter je zelfbeeld gaat bepalen, kan dit tot behoorlijke angsten leiden.

Ik was zelf iemand die wel goed was in het onthouden van wat er in het studieboek stond. Naast puur theoretische tentamens heb je echter ook te maken met praktische opdrachten. Op de middelbare school was dat in de bovenbouw het ergst. Ik vrees dat dit met de onderwijsvernieuwingen alleen maar erger is geworden maar ook in mijn tijd moest je al veel zelf uitvogelen. Dat vond ik moeilijk. Ook op het hbo was ik niet goed in praktisch gerichte opdrachten, al ging het wat beter dan op de middelbare school. Op de middelbare school liep ik er namelijk vooral tegenaan dat ik niet wist hoe ik mensen moest aanspreken om mee samen te wereken. Ik heb dus een keer een één gekregen voor een spreekvaardigheidsopdracht die ik niet had gedaan, omdat ik niemand durfde te vragen om met mij deze opdracht te doen.

Naast de onderwijsmoeilijkheden waar mensen met psychische problemen tegenaan kunnen lopen, speelt er nog het feit dat scholen zelf intens overweldigend kunnen zijn. Ik zat zelf op de middelbare school met dertig kinderen in de klas. Toen ik eenmaal op de universiteit kwam, had ik een studie gekozen waar relatief weinig studenten zich voor inschreven. Ik dacht dat ik dus in kleine groepen college zou hebben. Groot was dan ook mijn schrik toen ik op de eerste dag in een collegezaal met 200 man belandde. Wist ik veel dat sommige colleges van mijn studie waren samengevoegd met die van een veel grotere opleiding.

Je kunt als je psychische problemen hebt en toch wilt studeren, verschillende aanpassingen vragen bij je hogeschool of universiteit. Zo mocht ik mijn tentamen (dat ene tentamen van drie dagen voor mijn opname) in een aparte ruimte afleggen. Daarnaast bieden veel hogescholen en universiteiten cursussen aan voor het omgaan met (lichte) psychische klachten. Ik had zelf ook een maatje via een project wat toen net op mijn universiteit was opgezet. Zij ondersteunde mij bij het contact met docenten, het plannen van mijn studie, etc.

Voor veel mensen is student zijn natuurlijk meer dan studeren. Ook dit kan problemen geven voor mensen met psychische problemen. Zo kun je bang zijn in de kroeg, moeite hebben met vrienden maken of te moe zijn om na je studie nog naar de studentenvereniging te gaan. Dat niet volwaardig mee kunnen draaien kan dan weer je psychische klachten verergeren. Zelf heb ik hier nooit zoveel last van gehad. Pas toen ik al jaren gestopt was met mijn studie, baalde ik er wel heel erg van dat ik die tijd gemist had.

Nu ben ik op zich heel blij dat ik niet meer studeer. Ik heb nog wel een paar cursusen op de Open Universiteit gedaan. De OU is in mijn ervaring een stuk toegankelijker voor mij als student met beperkingen dan de gewone universiteit of hogeschool. Ten eerste kan het voor veel psychisch zieke mensen een voordeel zijn dat je de studie grotendeels thuis kunt doen. Daaarnaast heb je niet de druk van een bindend studieadvies of een strict tempo. Je kunt namelijk een jaar over een cursus doen. Wel moet je juist daarom meer discipline hebben dan op de gewone universiteit. Daar ontbrak het bij mij nogal eens aan, waardoor ik ook hier de meeste vakken niet heb gehaald.

Acht fabels over de eetbuienstoornis

Sinds 2013 is de binge eating disorder (BED) of eetbuienstoornis eindelijk officieel erkend als een specifieke eetstoornis in het psychiatershandboek, DSM-5. DSM-5 wordt in Nederland nog niet overal gebruikt in de gezondheidszorg maar de eetbuienstoornis wordt over het algemeen wel erkend. Ik heb niet deze diagnose maar herken me er wel in. “Wie niet?” zou je zeggen maar dat is niet waar. Hieronder deel ik een aantal fabels en feiten over de eetbuienstoornis.

1. De eetbuienstoornis bestaat niet, want iedereen eet wel eens een hele zak chips of bak ijs leeg in één keer. Dat bijna iedereen wel eens veel te veel eet, is een feit. Het is echter een fabel dat een eetbuienstoornis simpelweg betekent dat je af en toe te veel eet. Een eetbui moet minstens één keer per week voorkomen gedurende een periode van drie maanden of langer om van een eetbuienstoornis te spreken. Iemand die met Sinterklaas een zak pepernoten naar binenn werkt, heeft niet per definitie een eetbuienstoornis.

Gewoon snaaien is geen eetbui. Dit onderscheid vind ik zelf nog wel eens moeilijk te maken. In de DSM-5 staat genoemd dat iemand met BED gedurende een bepaald tijdsbestek, bv. twee uur, veel meer eet dan normaal is of wordt verwacht. Als je dus je bij het kerstdiner helemaal volpropt, kan dit twee uur duren en je te veel hebben gegeten maar omdat dit verwacht wordt, is dit geen eetbui. Ikzelf eet wel eens (nou ja, vaker dan eens per week) in tien minuten tijd een zak snoep leeg. Dat je over de dag heen een zak snoep leegeet, is snaaien. Omdat ik het in tien minuten opeet, denk ik wel dat ik van een eetbui mag spreken.

2. Mensen die eetbuien hebben, zijn per definitie te zwaar. Hoewel ongeveer tweederde van de mensen met een eetbuienstoornis zwaarlijvig is, komt BED ook voor bij mensen met een gezond gewicht. Sommige mensen kunnen immers meer eten zonder (veel) aan te komen dan anderen. Ikzelf heb pas sinds een jaar of vier overgewicht maar heb al sinds mijn puberteit eetbuien.

3. BED is hetzelfde als boulimia. Oppervlakkig gezien lijken de stoornissen erg op elkaar. Mensen met boulimia en mensen met een eetbuienstoornis overeten immers allebei en voelen zich hier schuldig of beschaamd over. Het verschil is echter dat boulimiapatiënten proberen van de overtollige calorieën af te komen door te purgeren (braken, laxeren of gebruik van plaspillen) of door overmatig te sporten. Mensen met BED doen dit niet en velen bewegen te weinig.

4. De eetbuienstoornis is zeldzaam. Mis! De eetbuienstoornis is de meest voorkomende specifieke eetstoornis. Het komt bij ongeveer 3% van de bevolking voor. Anorexia en boulimia komen bij respectievelijk 0,5% en 1,5% voor.

5. De eetbuienstoornis is een vrouwenziekte. Hoewel anorexia en boulimia veel meer bij vrouwen dan bij mannen voorkomen (maar niet exclusief bij vrouwen!), komt de eetbuienstoornis bijna net zoveel bij mannen voor als bij vrouwen.

6. Eetbuien zijn typisch iets voor tieners. Anorexia en boulimia komen inderdaad vaker voor bij tieners en jongvolwassenen. Voor BED geldt dit niet. Hoewel de stoornis uiteraard wel bij tieners voor kan komen, is de gemiddelde leeftijd waarop de eetbuienstoornis begint 25. Zeker bij mannen komt de stoornis vaker op middelbare leeftijd voor.

7. Binge eating disorder, in tegenstelling tot anorexia en boulimia, is niet gevaarlijk. Anorexia en boulimia kunnen misschien op korte termijn gevaarlijker zijn, omdat purgeren en ernstig ondergewicht tot levensbedreigende gezondheidsproblemen kunnen leiden. Daartegenover staat dat eetbuien op langere termijn wel gevaarlijk kunnen zijn. Grote eetbuien bij BED kunnen net als bij boulimia bijvoorbeeld leiden tot een opgerekte maag. Daarnaast speelt natuurlijk het risico wat gepaard gaat met overgewicht of obesitas.

Het idee dat de eetbuienstoornis niet gevaarlijk is, leidt ertoe dat mensen, ook patiënten, dit probleem niet serieus nemen. Ikzelf heb een tijd aan ongezond compenseergedrag (purgeren) gedaan en nam toen mijn eetprobleem serieuzer dan nu dat ik alleen nog eetbuien heb, terwijl ik nu ernstig overgewicht heb en toen een gezond gewicht had.

8. Eetbuien bij BED zijn gewoon een uiting van stress. Dat “gewoon” mag eraf. Eetbuien zijn inderdaad een uiting van stress maar iemand die minstens eens per week een eetbui heeft, heeft meer stress dan de gemiddelde mens en/of gaat hier niet gezond mee om. Een eetbuienstoornis is, zoals inmiddels wel duidelijk mag zijn, een psychiatrische stoornis en niet zomaar een reactie op tijdelijke stress.