Terugblik #3: bodylotion, huisarts en vier nachten thuis

Het is alweer anderhalve maand geleden dat ik een terugblik postte. Vandaag kun je lezen over mijn pogingen tot het maken van een bodylotion en over mijn vier nachten thuis.

Ik ben dus al een tijd bezig met het proberen te maken van een bodylotion. Van alles ging eraan mis. Eerst vergat ik dat het water wat erin moet, ook verhit moet worden. Toen vergat ik het conserveermiddel, gebruikte ik een slecht excuus voor een emulgator en toen ik dacht alles eindelijk begrepen te hebben, was er nog één ding: ik was zo stom gewoon met een lepel te roeren i.p.v. met een mixer te mixen. Toen mijn eerste bodylotion een succes was, wilden gelijk een paar verpleegkundigen er ook één. Die heb ik vandaag gemaakt. Een post met instructies volgt nog.

Overigens heb ik denk ik alweer een maand geleden ook het volledige recept van de geitenmelk-honingzeep waar ik vorige maand al over schreef nagemaakt.

Goudkleurige en oranje geitenmelkzeep met honing

Verder zijn er, zoals ik in mijn dankbaarheidslijstje al schreef, sinds een paar weken twee stagiaires op de dagbesteding. Dit betekent niet alleen dat er meer tijd is om mij te helpen met zeep en andere verzorgingsproducten te maken maar ook dat we vaker kunnen wandelen. Ik ga dus weer bijna elke week op vrijdagochtend naar de markt voor croissantjes. Vorige week waren ze helaas al uitverkocht maar vandaag waren ze er nog.

Afgelopen maandag waren mijn man en ik vijf jaar getrouwd. Mijn man had deze week vakantie van zijn werk. We grepen deze combinatie van gelegenehden aan om mij wat langer thuis te laten zijn. Eerst wou ik een hele week thuis zijn maar dat had ik te laat bedacht om het met de medicatie nog te kunnen regelen. Ik bleef dus van zaterdag tot woensdag thuis. Zaterdagavond hebben we door mijn schoonvader zelf gebakken pizza gegeten. Mijn schoonouders stelden toen voor dat wij maandag ergens op hun kosten uit eten konden gaan. Niet dat we anders niet uit eten waren gegaan maar toch heel leuk!

Zondag gingen we een rodnje rijden. Nou ja, rondje? We reden via Duitsland en Limburg naar Brabant. Toen stelde mijn man voor om ook nog “even” door naar België te rijden. Ik speelde voor navigatie maar kon dat niet zo goed, want ergens in de buurt van Eindhoven (dacht ik) bleek het nog een uur rijden te zijn naar de grens. Toen zijn we toch maar weer via Limburg en Duitsland teruggereden. Wel een andere route maar we wilden niet over Nijmegen, omdat we daar maandag al heen zouden gaan. We hebben in Kevelaer een schnitzel met enorme hoeveelheid friet gegeten. Er hing aan de kerk daar echt een enorm portret van de paus. Ik wist wel dat Kevelaer een bedevaartsoord is maar toch verbaasde dit mij.

Maandag gingen we dus naar Nijmegen. We gingen eerst de stad in. Ik kocht bij de Xenos wat flesjes voor mijn bodylotions en bij The Body Shop ook nog wat spullen. Hier schrijf ik later nog over. Hierna gingen we uit eten bij mijn favoriete restaurant, De Dromaai. Ik nam zoals altijd de gemarineerde kalkoenspies met friet. Helaas was de pittige pepersaus uit het assortiment maar de “chittige pilisaus” was ook lekker.

Dinsdag was ik al aardig moe. We reden toen naar een heuvelachtig gebied tussen Kilder en Zeddam. Daar hebben we even gewandeld maar ik vond hier weinig aan.

Woensdag ben ik weer teruggegaan naar Wolfheze. Ik had toen een gesprek met mijn psycholoog. Dat leverde me weinig op. Ik had ook naar de huisarts gemoeten, omdat ik ondanks medicatie toch last blijf hoduen van brandend maagzuur. Mijn medicatie was een pa ar weken terug veranderd van eenmaal daags 40mg pantoprazol naar tweemaal daags 20mg. Het idee was dat ik mijn 40mg altijd ’s ochtendds nam en vooral ’s avonds last had van maagzuur, dus als we de dosis zouden verdelen, zou dit misschien helpen. Helaas niet. Ik moest vandaag bloed laten prikken. Dit was onder andere voor iets met mijn maag maar ook voor leverfunctie en nog iets. Ik weet niet waarom het moest. Hopen op een goede uitslag.

Mijn (t)huis #30DayBlogChallengeNL

Tjonge, alweer meer dan een week niet geblogd. Ik ben ook niet echt geïnspireerd op het moment. Heb wel zin om te schrijven maar weet niet waarover. Ik keek dus weer eens in de onderwerpenlijst voor de #30DayBlogChallengeNL. Eén van de onderwerpen waar ik het nog niet over gehad heb, is over mijn (t)huis. Je ziet, ik behandel de onderwerpen totaal niet op volgorde, want ik wil nog over een aantal onderwerpen lager op de lijst ook schrijven. Maar nu even niet.

Zoals mensen die mij kennen zullen weten, heb ik twee plekken waar ik regelmatig verblijf: het huis van mijn man en mij in Olburgen (gemeente Bronckhorst) en de instelling in Wolfheze. Eerlijk gezegd voel ik me nog steeds meer thuis in Wolfheze, ook na ruim negen maanden in ons nieuwe huis. We zijn eind vorig jaar vanuit een flat in Doorwerth naar Olburgen verhuisd. Vandaar ook dat ik in Wolfheze, wat niet bepaald de regio van Olburgen is, verblijf. Sinds ik in Olburgen een eigen werkkamer heb, voel ik me wel beter maar ik kan nog moeilijk wennen.

In Wolfheze heb ik een eigen zit-/slaapkamer waar ook mijn bureau, waar ik nu achter zit te typen, staat. Verder staat er een bed, kast, tafel waar ooit een tv op stond, stoel en een nachtkastje. De tv die ooit op de tafel stond, is door een stichting aan de instelling voor de cliënten ter beschikking gesteld. Ik kijk echter bijna nooit tv en had de tafel nodig voor mijn hobbyspullen.

Naast een eigen slaapkamer hebben we gezamenlijke ruimtes op de afdeling. We hebben een huiskamer met keuken en badkamers in de slaapgang. De huiskamer, keuken en badkamers delen we met zijn elven. Helemaal vooraan is een hal voor zowel mijn groep als de andere groep die in ons gebouw zich bevindt. Daar zijn ook de kantoren van de verpleging. Lekker handig maar niet heus, want de verpleging hoort zo nooit wat er in de huiskamer (“op de groep”) gebeurt.

In Olburgen hebben mijn man en ik een ééngezinswoning met voor- en achtertuin. De voortuin is voornamelijk nuttig als parkeerplaats voor mijn man zijn auto. In de achtertuin hebben we fruitbomen, een hoekje wat ooit als mijn kruidentuin was bedoeld, zitplekken en de schuur. Mijn man noemt de schuur soms voor de grap zijn mancave. (Ik neem aan dat hij het althans voor de grap zo noemt, want hij heeft een hekel aan dat soort moderne taal.) Hij komt inderdaad veel vaker in de schuur en de tuin in het algemeen dan ik.

Op de begane grond hebben we een woonkamer, gang, wc en keuken. In de keuken kunnen we ons helaas niet met zijn tweeën tegelijk met het koken bezighouden, want ik loop dan constant in de weg.

Boven hebben we een slaapkamer, kleine badkamer en allebei een werkkamer. Ik heb de grootste werkkamer, die ruim tweemaal zo groot is als de miniwerkkamer van mijn man. In mijn werkkamer staat tot nu toe alleen een bureau. O ja, ook nog een kattentunnel voor onze kat Barry, die hier nooit gebruik van maakt volgens mij. Er moet nog een kast en eventueel een luie stoel komen. Overigens is het bureau in mijn kamer in Wolfheze, in tegenstelling tot de rest van de inrichting, ook van mijzelf. Wat ik hiermee ga doen, weet ik nog niet. Ik vind het wel een heel fijn bureau, dus wegdoen sowieso niet.

Als laaste hebben we nog een zolder. Daar kom ik echter nooit. Er staat volgens mij alleen maar rommel en water en een kattenbak voor Barry. KUnnen we hem op de zolder opsluiten als we de ramen open willen zetten. Barry heeft namelijk de neiging uit het raam te springen.

Ik zou het heel leuk vinden als jullie ook jullie (t)huis zouden beschrijven. Hoe ziet jouw kamer of huis eruit?

Dankbaarheidslijstje #1

Het is donderdag, een dag die veel Engelstalige bloggers als dankbaarheidsdag (Thankful Thursday) gebruiken. Ik doe dit dus ook maar, want Dankbare Donderdag allitereert ook. Ik beloof echter niet dat ik hier een wekelijks terugkerend onderwerp van maak, want dat kan ik toch niet nakomen. Hier wat dingen waar ik de afgelopen tijd dankbaar voor ben.

  1. Veel snacken. Niet gezond maar wel lekker. Ik heb de afgelopen week wel iets te vaak patat op. Zo had de seniorverpleegkundige van mijn afdeling zondag voor ons friet gebakken. Heerlijk met allerlei snacks erbij. Normaal doet ze dat meestal op zaterdag. Niet elke week hoor maar zo eens in de maand. Op zaterdag ben ik echter altijd thuis. Leuk dus dat ze een keer op zondag de frituur aanzwengelde.
  2. Afspreken met mijn man. Mijn man kwam gisteren naar mij toe op de afdeling. Ik was toen bij dagbesteding, dus hij dacht dat ik niet meer kwam en vertrok. Gelukkig kwam hij na wat telefonisch overleg weer terug. We zijn naar de Mac (ja, ook niet gezond maar wel lekker) en naar Kroonenburg geweest.
  3. Shoppen. Ja, een primeur: ik ben eindelijk een keer in de Rituals geweest. Ik heb de doucheproudcten die ik daar gekocht heb, nog niet uitgeprobeerd maar dat gaat snel gebeuren. Nu nog een keer naar Lush, haha. Ik shop echter veel liever online. Hoeft mijn man tenminste niet alle producten op te noemen (wat hij natuurlijk niet doet). In plaats daarvan kan ik dan gewoon zelf lekker het hele assortiment doorkijken zonder dat iemand (mijn man of een medewerker) vraagt wat ik precies zoek. Mijn man ergerde zich behoorlijk aan de overdreven klantvriendelijkheid van het personeel. Moet trouwens wel nog steeds mijn waardebon van The Body Shop opmaken die ik via de rentepuntenwinkel van de ING heb gekocht. Die kan je helaas niet online inwisselen.
  4. Dagbesteding. Er zijn sinds deze week twee stagiaires bij de interne dagbesteding van mijn afdeling. Dat betekent dat er nu dus meer begeleiding is. Ik heb van de week bij dagbesteding met hulp een bodylotion gemaakt. Helaas was hij niet gelukt maar ik geef niet op.
  5. Lezen. Ik heb het boek Do No Harm van Henry Marsh gekocht. Dit is een bundel verhalen van een neurochirurg. Ik ben dol op verhalen van dokters en neurochirurgie is wel een heel erg interessant specialisme.
  6. Komkommer. De psychiater heeft blijkbaar een moestuin, want ze had zelfgekweekte komkommer, courgette en uit de kluiten gewassen romatomaat meegenomen en bij de dagbestedng neergelegd. Ik nam dus lekker wat komkommer. Gezond en lekker.
  7. Wandelen. Ik heb de afgelopen week veel gewandeld. Vandaag alleen al drie keer. Eén keer was wel om lekkers te halen, dus ik heb totaal niet de illusie dat ik al het snacken heb gecompenseerd. Het was echter wel fijn.
  8. Het weer. Het is heerlijk! We hebben natuurlijk een flutzomer gehad maar dit maakt het toch nog een beetje goed. Van mij mag het tot en met oktober zo blijven. Nou ja, iets koeler mag ook.

Waar ben jij dankbaar voor?

Gekke gewoontes, angsten en gedachten die ik als kind had

Vanochtend schreef Kim een post over gekke gewoontes en gedachten die ze als kind had. Sommige zijn best herkenbaar. Ook ik was een behoorlijk angstig kind en had veel “magische” denksprongetjes. Ik nam ook veel letterlijk, zoals ik al schreef in mijn post over grappige taalmisverstanden. Vandaag deel ik een aantal gekke gewoontes en gedachten die ik vroeger had met jullie.

1. Lepra. Toen ik jong was, was er veel aandacht in de media voor lepra en de Leprastichting. Ik hoorde dus dat als je lepra had, je vingers en tenen gevoelloos werden en er daarna afvielen. Ik was altijd al bang voor enge ziektes en lepra stond daar wel bovenaan, dus telde ik mijn vingers en tenen ’s nachts na. Soms deed ik dit wel tien keer op een nacht.

2. Spiritus. Mijn ouders vertelden me dat je blind kon worden als je spiritus dronk, vanwege de methanol die erin zit. Daarom had spiritus een blauwe kleur als waarschuwing. Ik was dus doodsbang als mijn ouders spiritus gebruikten als schoonmaakmiddel. Als ze hier iets mee hadden schoongemaakt, durfde ik dat niet aan te raken, omdat ik bang was dat ik dan per ongeluk mijn vingers zou aflikken en spiritus binnenkrijgen.

Maar het werd nog gekker. Ik haalde me op een gegeven moment in mijn hoofd dat er spiritus uit de kraan kon komen. Ik keek dus altijd of het water blauw was. Zo niet, dan was het veilig.

Ik was overigens echt speciaal bang om blind te worden door spiritus. Toen ik ooit over een cobra hoorde die gif kon spuwen waar je blind van wordt, was ik ook bang hiervoor. Natuurlijk was de kans veel groter dat ik door mijn oogaandoening blind werd dan door spiritus te drinken of een cobra tegen te komen.

Later, nog maar een paar jaar geleden, kwam het idee van gif uit de kraan opnieuw in me op. Ik hoorde toen over iemand die zijn ex met zwavelzuur had overgoten. Die vrouw voelde zich altijd alsof ze onder een te hete douche stond door de brandwonden. Nou douche ik vrij heet, dus haalde ik me in mijn hoofd dat er zwavelzuur uit de douche kwam.

3. Toekomst voorspellen. Ik had toen ik een jaar of twaalf was een glazen ovaaltje. Ik denk dat het ding ooit bedoeld was als versierng voor in een aquarium of zo. Dit steentje had een bolle en een platte kant en ik meende dat ik hiermee de toekomst kon voorspeleln. Als de bolle kant boven kwam, was het antwoord “Ja”, terwijl de platte kant “Nee” betekende. Natuurlijk zijn er verschillen tussen de twee kanten, waarbij de ene kant meer kans maakt om boven te omen dan de andere.

Overigens had ik in diezelfde tijd de gedache dat ik met mandarijnen wensen kon doen. Als ik de schil er in één keer af kreeg, mocht ik iets wensen. Het aantal partjes bepaalde hoe groot de kans was dat mijn wens uit zou komen. En dan was er nog iets met als er pitjes in zaten maar dat weet ik al niet meer. Deze is overigens helemaal niet zo origineel, want veel mensen hebben volgens mij dit bijgeloof met sinaasappels.

4. Bolbliksem. Ooit hoorde ik van iemand dat ze bij diegene thuis bolbliksem hadden. Er was een vuurbal door een keukenraampje naar binnen gevlogen. Of ik het verkeerd begrepen heb of dat diegene maar een verhaal zat op te dissen, weet ik niet. IK was altijd superbang voor onweer en weet nog steeds niet 100% zeker dat een bliksemschicht niet door een keukenraam kan komen.

5. Tellen. Ik denk niet dat dit heel raar is maar ik telde echt alles. Zo stond ik op een gegeven moment op de middelbare school “gewoon” de steentjes van een muurtje te tellen. Mijn vader, die op mijn school werkte, vond me er somber uitzien en werd boos omdat ik me raar gedroeg.

Mij vallen wel vaak patronen op en ik probeer symmetrie in dingen te vinden. Vind het bijvoorbeeld nog steeds jammer dat de drinkglazen bij mijn favoriete restaurant negen vlakjes hebbn.

Heb of had jij ook vreemde gewoontes, angsten of gedachten?

Tien liedjes die betekenis hebben (gehad) in mijn leven

Mijn man is een enorme muzekfan. Ik niet zo. In mijn tienerjaren luisterde ik wel vaak naar muziek maar dan draaide ik honderd keer achter elkaar hetzelfde liedje. Dat doe ik trowuens nog steeds maar ik luister nu alleen muziek als ik echt wil luisteren. Achtergrodnmuziek hoeft voor mij niet.

Ooit had ik op één van mijn eerdere pogingen tot een Nederlandstalige blog, een tag overgenomen waarbij je muziek van voor je geboren was moest delen. Dat was nog vrij moeilijk. Op mijn Engelstalige blog heb ik ruim twee jaar geleden tien liedjes gedeeld die ooit betekenis hadden in mijn leven. Een deel zou ik nog delen maar een deel zou inmiddels ook anders zijn. Laat ik dit idee nu hier ook eens delen. De Nederlandstalige teksten hebben dan tenminste zin.

1. The Dubliners – Molly Malone.

Mijn ouders zijn dol op The Dubliners. Dit was het eerste liedje van The Dubliners wat ik bewust leerde kennen maar niet door mijn ouders. In groep zes leerde de meester ons dita liedje tijdens de enige les Engels die ik dat jaar kreeg. Ik vond het wel heel zielig.

2. Friends for Warchild – Voorgoed.

Dit nummer zongen we met een aantal mensen van de vso-afdeling (voortgezet speciaal onderwijs) van de blindenschool waar ik de brugklas mavo deed. Ik kon absoluut niet zingen, dus weet niet meer of ik ook heb meegedaan aan de uitvoering op de muziekavond. We (of nou ja, de mensen die meededen) werden aangekondigd als “vso Voorgoed”. Mijn vader maakte hier een grappig bedoelde opmerking over, iets van: “Niks vso voorgoed.” Ik ging immers het jaar erop naar het reguliere onderwijs.

Jarenlang heb ik dit nummer nog eens willen horen maar ik wist niet hoe ik eraan kwam. Nu bestaat natuurlijk YouTube en heb ik het in één keer gevonden. Ik vind het niet echt een mooi nummer meer.

3. ABBA – One of us.

Ik kocht toen ik een jaar of veertien was, een cd van The A-teens, een ABBA-coverband die toen dacht ik semi-populair was. One of us was het vierde nummer op de cd en ik heb dit nummer echt duizenden keren gedraaid. Voor nu deel ik het origineel. Ik spelde A-teens overigens jarenlang als “Eighteens” en had niet door dat het een coverband was. Zo dom ben ik wat betreft muziek.

4. MIKA – Relax, take it easy.

Toen ik in 2007 in crisis was, werd ik een paar keer door de politie meegenomen naar het bureau omdat ik aan het zwerven was. Voor mijn gevoel stond dit nummer echt altijd de hele tijd op het bureau op als ik daar was. Ik vind het een vreselijk nummer.

5. James Blunt – 1973.

Dit nummer werd in 2007, toen ik net opgenomen zat, onnoemelijk vaak gedraaid op Sky Radio en dat soort stations. Ik vind het nog steeds wel een mooi nummer.

6. Tom Lehrer – I hold your hand in mine.

Mijn man leerde mij de muziek van Tom Lehrer kennen. Dit was één van de eerste nummers van hem die mijn man mij liet horen, mogelijk zelfs de eerste. De tekst is natuurlijk niet heel erg romantisch, of toch wel, als je zoals ik een enorme cynicus bent.

7. Tom Astor – 14 Tage auf dem Brenner.

Nog meer muziek die mijn man bij me geïntroduceerd heeft. Hij is zelf niet zo dol op Tom Astor. Ik wel. Ik vind overigens deze YouTube-versie mooier dan de langere versie die mijn man voor mij op een cd heeft gebrand.

8. Reba McEntire – I’m a survivor.

Dit is één van mijn favoriete liedjes allertijden. Ik vind de tekst echt mooi! Dat komt natuurlijk doordat ik zelf een prematuur ben. Overigens is het nummer niet over een bestaand persoon geschreven.

9. Normaal – Daldeejen.

Eind 2015 verhuisden mijn man en ik van Doorwerth naar Olburgen in de gemeente Bronckhorst. We woonden echter nog in onze flat in Doorwerth toen mijn man mij Normaal leerde kennen. Natuurlijk kende ik Oerendhard wel maar daar hield het zo’n beetje mee op. Op een gegeven moment stelde mijn man voor om naar het afscheidsconcert van Normaal in het GelreDome te gaan. Daar zijn we inderdaad geweest. Ik weet niet meer of ze Daldeejen speelden maar het is mijn favoriete nummer van Normaal.

10. Bobby Bare – Four strong winds.

Het liedje waar ik nu het meest naar luister. Ik ben de laatste jaren best wel een countryfan en heb Bobby Bare bij toeval ontdekt via Spotify.

Welk liedje heeft voor jou veel betekenis?

Wat ik vroeger wilde worden #30DayBlogChallengeNL

Het is weer tijd voor een onderwerp uit de #30DayBlogChallengeNL. Dit keer schrijf ik over wat ik vroeger wilde worden. Ik heb hiermee een aantal onderwerpen overgeslagen. Op sommige kom ik later nog terug.

Toen ik in de kleuterklas zat, gingen we een keer bij een “waarzegster” langs. Je kent het wel, de juf van groep vier met een glazen bol die vraagt wat je later wilt worden en op basis daarvan een “voorspelling” doet. Echt stereotiep wilden alle meisjes prinses worden. IK herinner me niet meer wat ik toen zei dat ik wilde worden.

Vanaf het moment dat ik kon schrijven, wilde ik echter schrijfster worden. Mijn ouders zijn best wel no-nonsense en ik leerde hierdoor al heel jong dat je van schrijven alleen niet kan leven. Toch was schrijfster jarenlang wat ik zei dat ik wilde worden. Ik wilde natuurlijk als kind altijd kinderboeken schrijven, want ik kende niks anders. Als puber wilde ik tienerverhalen schrijven. Ik was een enorme fan van Caja Cazemier. Ik heb al haar boeken van tot 2000 gelezen en plagieerde ze vrolijk in mijn eigen verhaaltjes.

Vanaf dat ik een jaar of elf was, wist ik zeker dat ik later naar de universiteit zou gaan. Niet dat dat me daarvoor niet duidelijk was maar ik was me er nooit zo sterk bewust van. Ik heb op de vakantie op Vlieland toen ik twaalf was, vrolijk staan verkondigen aan iedereen dat ik later Neerlandicus werd. Hoezo nerd?

In het jaar erop wilde ik wiskundige worden, omdat dat mijn lievelingsvak in de brugklas speciaal onderwijs was. Mijn vader is ervan overtuigd dat ik, als ik had kunnen zien, natuur en techniek als profiel had gekozen op de middelbare school. Ik meen inderdaad dat ik één blinde pesoon ken die een halfjaar wiskunde heeft gestudeerd op de universiteit. Toch zou hier denk ik ook als ik kon zien mijn interesse uiteindelijk niet liggen.

Toen ik op mijn dertiende naar het gymnasium ging, bewonderde ik mijn leraressen Nederlands en Latijn. Ik wilde dan ook afwisselend lerares Nederlands of klassieke talen worden. Al langer had ik wel eens een fase gehad waarin ik juf wilde worden maar het idee om docent op een middelbare school te worden, bleef wel lang hangen.

Toen ik eenmaal in de vierde klas gymnasium kwam, had ik inmiddels internet en zo contact met mensen uit Amerika. Zo ontstond het idee dat ik Amerkanistiek wou studeren, aan het eind van mijn studie naar Amerika vertrekken en – vraag niet hoe – nooit meer terug zou keren. Op de Radboud Universiteit kon je in je eerste jaar al kiezen om de Amerikaanse uitspraak te leren bij je studie Engels. Vanaf je tweede jaar kon je dan voor Amerikanistiek gaan. Dit leek me wel wat en ik heb me zelfs aangemeld voor deze studie. Mijn droom was toen – of althans dat dacht ik – om professor te worden in de Amerikaanse studies.

Toen ik in 2005 eindexamen deed, besloot ik toch een tussenjaar te nemen om aan mezelf te werken. Tjdens dit tussenjaar ontdekte ik dat mijn interesse veel meer bij de psychologie lag. Ergens wist ik dat wel, want ik had ooit in de vierde klas een informatiebijeenkomst over pedagogiek en psychologie bezocht en vond dit super interessant. Helaas is psychologie studeren aan de universiteit voor mij om verschillende redenen niet mogelijk. Ten eerste leerde ik tijdens mijn jaar op het hbo, waar ik een oriënterende propedeuse in de psychologische en pedagogigsche studies volgde, dat ik niet bepaald de vereiste communicatieve vaardigehden bezit. Bovendien is als blinde psychologie nogal lastig vanwege het enorme aandeel aan statistiek.

Mijn uiteindelijke keuze wat betreft studie viel op taalwetenschap. Ik wilde daarbij nog steeds richting psycholiguïstiek of taal- en spraakpathologie. Uiteindelijk heb ik deze studie maar twee maanden volgehouden. Op dit moment ben ik gruwelijk blij dat ik geen taalprof ben geworden.

Wat wilde jij vroeger worden?

Leven zonder diagnose

Sinds gisteren heb ik een officiële “geen idee”-status wat betreft psychiatrische diagnoses. Ik had altijd de diagnose autisme. Daarbij kwamen nog wel wat andere stickertjes die al dan niet klopten. Stoornis in de impulsbeheersing NAO, dissociatieve identiteitsstoornsi, PTSS, borderline, … Wat echter bleef staan, was de diagnose autisme.

Nu weet ik sindds iets van anderhalve maand dat mijn psycholoog die eraf wilde halen omdat ik een hersenbloeding met waterhoofd tot gevolg heb gehad als baby en je volgens haar dan geen autisme mag vaststellen. Toen ik inderdaad bevestigd kreeg dat ze mijn DSM-classificatie had aangepast in alleen borderline, besloot ik de patiëntenvertrouwenspersoon in te schakelen. Die adviseerde me een second opinion aan te vragen. Was mijn psych niet blij mee en die begon een beetje te onderhandelen met diagnoses. Ze consulteerde de psychiater van de hersenletselafdeling, die haar gelijk gaf dat autisme en hersenletsel niet samengaan. Gelukkig hoef ik in dat geval ook niet opgescheept te zitten met een borderlinediagnose, want dat kon ook niet samen met hersenletsel volgens diegene. Resultaat is wel dat, tenzij of totdat ik een second opinion heb gehad, ik nu opgescheept zit met een diagnose waar ik de ballen van snap.

Dit heeft toch meer impact dan ik zou denken. In eerste instantie dacht ik dat ik het wel best zou vinden als ik maar de goede zorg kan krijgen wanneer ik met ontslag ga uit de kliniek. Toch raakt het me op een veel dieper niveau: wie ben ik nog als ik geen autist meer ben?

Nu krijg ik vast een stortvloed aan kritiek over me heen omdat ik mezelf “autist” noem. Ik weet wel dat ik meer ben dan autistisch alleen. In Amerika is het echter gebruikelijk dat autisten zichzelf “autist” noemen om aan te geven dat autisme een significant deel uitmaakt van hun identiteit. Daar wordt in Nederland raar tegenaan gekeken, want welke gek identificeert zich nou met een stoornis? Autist-zijn wordt echter niet als ziekte gezien maar als een neurologische staat van zijn. Of ik het daarmee eens ben, is een tweede. Het is wel zo dat ik mezelf begrijp en weet wat voor mij werkt aan de hand van concrete “stickertjes” en autisme was daar negen jaar lang de belangrijkste van.

Natuurlijk, ik ben echtgenote, bediende van de kat, blogger, zeepmaker, etc. Wat ik bedoel is dat ik zonder diagnose geen steun kan vinden bij mensen die mijn ervaringen echt begrijpen. Het gaat er mij niet eens om dat ik uit sommige steungroepen weg moet als ik geen second opinion aanvraag, omdat ik dan “ineens” geen autist meer ben. (Wat dat betreft erger ik me meer aan alle speculaties à la borderliner-die-jarenlang-autisme-heeft-gefaked, maargoed.) Ik ben immers lid van ruim 1500 groepen op Facebook en spaar door de diagnostische onduidelijkheid bijna etiketjes om als zoekterm in te voeren. Waar ik meer van baal, is dat ik altijd nog wel wee of drie mensen kenden met mijn combinatie van problemen. Ik ben ook nog blind, dus dat maakt het lastig maar in elk geval waren er wel mensen die ook blind en autistisch zijn. Nu voel ik me niet meer volledig thuis in het “hokje” autisme, ook al willen sommige groepen me nog wel hebben. Tegelijk pas ik ook niet in het “hokje” hersenletsel, omdat dat bijna per definitie niet-aangeboren is. Nu wordt het wel erg lastig (h)erkenning vinden.

Ik heb nog niet besloten of ik die second opinion aanga. Of dat meer duidelijkheid zal geven, is namelijk de vraag en dat is toch waar ik, naast goede zorg, naar op zoek ben.

Mijn ochtendroutine

Vanochtend schreef Tara over haar ochtendroutine voor school. Ik vind dit wel een leuk onderwerp om over te schrijven. Misschien is ’s avonds hier een beetje een gek tijdstip voor maar ik schrijf nou eenmaal graag ’s avonds.

Door-de-weeks sta ik vaak tussen zeven uur en halfacht op. Ik heb meestal geen echte verplichtingen zoals school. Ja, ik heb mijn dagbesteding maar dit is inloop. Toch probeer ik er voor halfnegen uit te zijn. Ik douche door-de-weeks altijd ’s avonds, dus ’s ochtends hoef ik dit niet meer te doen. Meestal kijk ik als eerste even op mijn computer. Dit komt niet verder dan kijken hoe laat het is, want ik heb een überslecht tijdsbesef en geen klok of wekker buiten die van mijn compuer om. Het is me wel eens gebeurd dat ik dacht dat het al zeven uur was, omdat ik medepatiënten op de gang hoorde, en dat het dan pas halféén of zo was en die medepatiënten gewoon lichtelijk aan het nachtbraken waren.

Als ik besloten heb dat het een mooie tijd is om op te staan, kleed ik me aan en borstel mijn haar. Soms kijk ik nog op internet wat voor weer het wordt, want zeker in de lente/zomer weet je dat nooit. Ik kon vroeger echt in een trui lopen als het dertig graden was. Nu lukt het me aardig me op het weer te kleden.

Ik neem mijn medicijnen met water bij de wastafel in. Ik krijg ’s avonds altijd al mijn medicijnen voor de volgende ochtend. Toen ik mijn medicatie nog niet in eigen beheer had, kwam de verpleging dit vaak ’s ochtends rond halfnegen brengen.

Vervolgens ga ik naar de huiskamer, waar ik een kop koffie drink. Meestal is er wel een medepatiënt die eerder op is dan ik en die alvast koffie heeft gezet. Als ik trek heb en het is nog geen acht uur, neem ik een cracker. Om acht uur komt de verpleging meestal naar de huiskamer en helpen ze me met ontbijt (yoghurt met muesli) klaarmaken.

Meestal ga ik na het ontbijt even achter de laptop. Ik check mijn E-mail, Facebook en mijn feedreader voor nieuwe blogposts. Ik poets ook (als ik eraan denk, wat niet altijd zo is) mijn tanden. Om negen uur begint de dagbesteding.

In het weekend ziet mijn routine er vaak anders uit. Om te beignnen douche ik dan ’s ochtends. Mijn man staat meestal eerdeer op dan ik. Ik sta op als hij klaar is met douchen en ga dan zelf douchen. Vervolgens kleed ik me aan en ga naar beneden. Daar neem ik mijn medicijnen en een kop koffie. Ik geef ook meestal de kat te eten. Vervolgens ontbijten mijn man en ik samen. Ontbijt bestaat in het weekend soms uit yoghurt met cruesli maar ook vaak uit broodjes. Na het ontbijt ga ik achter de laptop en poets na een tijdje mijn tanden. Mijn schoonvader is tandarts, dus mijn man heeft een geweldige tandenpoetsroutine. Hij herinnert me er dus meestal aan als ik vergeet mijn tanden te poetsen. Meestal loopt het al tegen de middag als ik mijn weekendse ochtendroutine heb voltooid.

Hoe ziet jouw ochtendroutine eruit?

Herstel in de GGZ

Afgelopen maandag kwam de ergotherapeut van de psychiatrische instelling waar ik verblijf bij me langs. We zijn ooit, een paar maanden geleden, begonnen met ergotherapie zodat ik kon leren bijvoorbeeld mijn eigen brood te smeren, drinken inschenken, etc. Dit is deels gelukt maar het blijft voor mij erg moeilijk. Sinds een paar weken hebben we de puur praktische training losgelaten en zijn we gaan kijken wat ik nodig heb om me als ik straks thuis ben redelijk te kunnen redden en hoe ik dit communiceer. Maandag kwam de ergotherapeut in dit kader met een folder over herstel in de GGZ. Ik heb hier al ervaring mee gehad, want in 2010 heb ik deelgenomen aan de eerste herstelgrep in Nijmegen. Vandaag wil ik met jullie delen wat herstel is en hoe als je het mij vraagt elke psychiatrische patiënt hieraan kan werken.

Ik zit al bijna negen jaar klinisch opgenomen in de psychiatrie. Ik heb in die tijd al wel het één en ander bereikt maar ben absoluut niet “genezen” van mijn psychische kwetsbaarheid. In mijn geval is dit waarschijnlijk ook niet mogelijk. Ik wil hiermee niet zeggen dat dit voor iedereen geldt: van sommige psychische stoornissen kun je prima genezen. Volgens Arnhild Lauveng, in haar boek Morgen ben ik een leeuw heeft zelfs één op de drie mensen met schizofrenie uiteindeijk geen last meer van deze ziekte. Dit terwijl schizofrenie toch als één van de meest ernstige psychiatrische ziektes wordt gezien. Bij bijvoorbeeld een éénmalige depressie is het genezingspercentage hoger.

Bij herstel gaat het echter niet om genezing maar om het (her)vinden van een zinvol leven. Zelfs als je elke dag last hebt van je psychische kwetsbaarheid, kun je een zinvol leven hebben. Ooit heb ik een scriptie gelezen over vraaggerichte zorg voor mensen met een ernstige verstandelijke beperking. Nou is een psychiatrische zietke iets anders maar ook daar geldt dat je altijd wel iets van je leven kunt maken, al is het dag bij dag. Het gaat erom dat je je bewust bent van je kwetsbaarheden en talenten en hiervan gebruik maakt bij het bereiken van je eigen persoonlijke doelen.

Op één van de websites over herstelondersteuning las ik net dat men in een bepaald, zogenaamd herstelgericht gebouw van een GGZ-instelling helemaal geen gebruik maakt van de facilitaire diensten van de instelling. Dit betekent dus dat men zelf schoonmaakt en de boel onderhoudt. Prima hoor maar ik ergerde me eraan dat dit als herstel wordt gezien. Je hoeft niet onafhankelijk van hulp te zijn om hersteld te zijn. Bij herstel gaat het erom dat je je eigen doelen in het leven bepaalt. Iedereen is immers voor bepaalde zaken afhankelijk van anderen. Ik ken weinig mensen die bijvoorbeeld altijd hun eigen haar knippen of kleding maken, laat staan hun eigen vee slachten voor het avondeten.

Ik zei al dat ik in 2010 meedeed aan een herstelgroep in Nijmegen. Een herstelgroep is een praatgroep waarbij cliënten, onder supervisie van twee ervaringsdeskundige medecliënten, hun herstelverhaal delen aan de hand van verschillende thema’s. De herstelgroep waar ik aan deelnam, bestond uitgezonderd de ervaringsdeskundigen, alleen uit klinisch opgenomen patiënten. Ik stond in die tijd op de wachtlijst voor een woon-werkvoorziening voor autisten. Dit is een intensieve vorm van beschermd wonen bij een GGZ-instelling. Bepaald niet het toppunt van zelfstandigheid maar ik wilde dit graag. Was ik dan niet bezig met herstel, omdat ik veel begeleiding nodig had? Ik vind toch van wel.

Verzamelingen en obsessies (fieps) #30DayBlogChallengeNL

Vorige week schreef ik het eerste artikel in de #30DayBlogChallengeNL over dingen waar ik blij van word. Ik schrijf niet over alle onderwerpen maar het volgende onderwerp in de rij sprak me ook aan: verzamelingen en obsessies. Oftewel “fieps” in autismeland.

Ik had als kind de ene na de andere verzameling. Niet eens zo zeer de hype-verzamelingen. Ja, ik had wel flippo’s maar daar deed ik niet echt wat mee.

De grootste verzameling die ik me kan herinneren, was landkaarten. Ik was rond mijn tiende echt helemaal gek van topografie. Ik tekende ook zelf landkaarten. Vooral Italië met de laarsvorm vond ik mooi.

Als klein kind had ik ook een fiep met metroroutes. We woonden in Rotterdam en ik kende alle haltes van de oost-westlijn uit mijn hoofd. Nu ken ik ze niet meer maar ik kan me nog wel de neonverlichte haltenaambordjes voor de geest halen waar de metro na Blaak ondergronds ging. Deze fiep is wel lang bij me gebleven: ook in Apeldoorn en Nijmegen kende ik de bushaltes van lijnen die ik vaker nam uit mijn hoofd. Wat dat betreft is het jammer dat mijn man nu een auto heeft, want we reizen bijna nooit meer met het OV. Niet dat ons dorp OV heeft maar toch.

Sommige autisten hebben één grote fiep die hun hele leven bij ze blijft. Dit zie je bijvoorbeeld bij Temple Grandin met veehouderij. Zij heeft hier haar carrière van weten te maken. Ikzelf heb echter vaak wisselende interesses, die dan echter wel heel intens kunnen zijn. Die obsessie met landkaarten bleef wel een paar jaar, net als die met OV-routes. Sommige van mijn fieps blijven echter maar een paar maanden.

Als ik ergens op aan het fiepen ben, kan ik heel enthousiast worden. Ik ben er dan echt de hele dag en vaak ook nacht mee bezig. Jammer is het wel als de fiep weer overgaat, want dan voel ik me vaak down. Het zou natuurlijk ideaal zijn als ik, als ik ergens niet meer op fiep, dit nog als gewone interesse of hobby kan houden. Dit lukt me soms wel. Vaak is het echter erg zwart-wit: ik ben ergens helemaal obsessief mee bezig of ik doe er (bijna) niks meer mee. Ik hoop niet dat dit bijvoorbeeld ook met het zeep maken gaat gebeuren.

Bij autisme moet een speciale interesse (fiep) ofwel abnormaal zijn in intensiteit of in focus. Met abnormale intensiteit wordt bedoeld dat iemand zoveel tijd en energie in een fiep steekt dat bijvoorbeeld het huishouden of andere verplichtingen eronder gaan lijden. Met abnormale focus wordt bedoeld dat iemand te veel op een bepaald detail is gericht. Ik ben bijvoorbeeld niet geïnteresseerd in het openbaar vervoer in het algemeen maar alleen in het uit mijn hoofd leren van de haltes.

Natuurlijk komen intense interesses ook bij niet-autisten voor. Hypes zijn bijvoorbeeld meestal niet zo aan autisten besteed. Verzamelwoede is ook niet specifiek iets voor autisten. Om als kenmerk van autisme te worden gezien, moet het fiepen iemands dagelijkse functioneren beperken.

Wat is jouw “fiep”?